Minder kranten maken samenleving dor

De behoefte aan journalistieke pluriformiteit kan alleen maar toenemen. Daarom ziet Frits van Exter niets in `verschraling van het aantal titels', waar Ben Knapen eerder van repte.

Kan `Lux et Libertas' ook boven het hoofdartikel in Trouw prijken? Zijn commentatoren als J.L. Heldring, Marcel van Dam, Willem Breedveld en Kees Lunshof inwisselbaar? Maakt het wat uit of de ene krant zijn geld zet op een wekelijks kleurenmagazine, de ander op een maandelijks magazine en de derde op helemaal geen magazine? Wat is er eigenlijk tegen om het Algemeen Dagblad en de Volkskrant – ik noem maar twee kranten met dalende oplages – te laten samengaan in een groot Dagblad van het Volk? Is een krant een verzameling feiten, verklaringen en meningen die de lezer net zo goed ook van andere kranten kan verwachten?

Ben Knapen betoogt in zijn lezing bij het jubileum van de Fontys Hogeschool voor Journalistiek (Opiniepagina, 9 december) dat pluriformiteit van de pers een achterhaald goed is. Volgens Knapen heeft in een ontzuilde samenleving ,,niet iedere stroming en onderstroming nog behoefte aan een eigen spreekbuis, diverse kranten bieden in hun eigen kolommen plaats aan tegengestelde invalshoeken.'' Lezers hebben naar zijn mening nu vooral behoefte aan kwaliteit en dat is een ,,ambachtelijk'' onderscheid ,,zonder kwalitatieve of ethische oordelen''. Met andere woorden: kwaliteit is – o, paradox! – geen kwalitatief onderscheid maar een objectieve norm. ,,Kwaliteitskranten mikken meer op het hoofd van de lezers, boulevardbladen op het hart of de onderbuik'', zegt Knapen.

Ik kan niet zo goed uit de voeten met deze lijfelijke opdeling; hart, hoofd en onderbuik zijn ook in het journalistieke lichaam met vele draden aan elkaar verbonden. Belangrijker misschien is dat Knapen hierin bij voorbaat een rechtvaardiging lijkt te zoeken voor wat hij de verdere ,,verschraling van titels'' noemt: het versmelten of zelfs opheffen van nog meer dagbladen. Kranten maken is immers duur, kwaliteit kost ook een paar centen en aangezien pluriformiteit geen betekenis meer heeft, ben je misschien beter af met minder kranten die meer kwaliteit aan meer lezers kunnen bieden. ,,Verschraling van het aantal titels is daarvoor dan de prijs.''

Wat een warm pleidooi lijkt voor de kwaliteitskrant en een hart onder de riem van de redacties die ook met tegenwind kwaliteit willen blijven leveren, blijkt een poging een economische rationalisatie (,,met kleine oplages zijn de productieprocessen niet meer betaalbaar'') te onderbouwen met een maatschappelijke visie. En dat wringt.

Nu moet ik even oppassen. De lezer moet weten dat Ben Knapen mijn uitgever is, althans hij is lid van de Raad van Bestuur van PCM-Uitgevers, dat onder meer vier landelijke en enkele regionale dagbladen uitgeeft. Discussies met je uitgever moet je bij voorkeur niet over de hoofden van de lezers heen voeren en al helemaal niet als ze niet eens van jouw krant zijn – er is de laatste tijd al veel te veel geroepen over PCM. En ik geloof dat zijn opvatting ook niet nieuw is, maar zij krijgt een andere betekenis doordat hij daarmee nu naar buiten treedt. De grondslag van PCM is immers bijzonder: ,,de handhaving van een pluriforme opiniërende pers in een parlementair-democratisch staatsbestel'' (statuten 1997).

In het denken van tenminste één lid van de Raad van Bestuur staat dat uitgangspunt kennelijk op de tocht. Ik moet daar wel aan toevoegen dat in de bewerkte versie van de toespraak van Knapen in NRC Handelsblad een passage ontbrak: ,,Wij proberen bij PCM aan deze laatste trend (verschraling, fve) naar vermogen te ontsnappen door aan de achterkant van het productieproces – distributie, drukken, advertentieverkoop, lezersservice, etc. – zoveel mogelijk samen te doen om aan de voorkant de verscheidenheid overeind te houden.'' Maar het belang daarvan trekt de uitgever openlijk in twijfel en dat raakt meer mensen dan een toevallige hoofdredacteur met zijn particuliere zorgjes.

Het is waar: de Berlijnse Muur is geslecht, de politieke kleuren zijn vervloeid tot paars, de kerken zijn leger, de hoofdredacteur combineert zijn journalistieke taken niet langer met het fractievoorzitterschap van een partij, de protestants-christelijke vereniging van rijwielhandelaren is al lang opgegaan in de algemene, voor de buis weet niemand meer of hij voor de rooie VARA dan wel voor de paapse KRO zit (en de slagzin `het gevoel blijft' van deze omroep is nog geen ijzersterk voorbeeld van een geslaagde restauratie). Kranten zijn al lang geen spreekbuizen meer van de verzuilde ordening van de samenleving zoals we die kenden. En het is gelukkig ook waar dat kranten hun lezers niet langer hoeven te bevestigen in hun mening en dat zij een zekere interne pluriformiteit bieden. Maar dat betekent niet dat daarmee de functie van een onderscheidende identiteit in de pers vervalt.

Kranten zijn cultuurgoederen in een samenleving die niet langer overzichtelijk is ingedeeld maar die ook verre van versmolten is tot één homogene cultuur. De verscheidenheid neemt toe en onder het paarse vernis worden nieuwe breuklijnen zichtbaar: onderwijs, zorg, veiligheid, kwaliteit van bestuur, allochtonen, asielzoekers, individualisering, mobiliteit, ruimte, vergrijzing, informatietechnologie, milieu, genetica, euthanasie, Europa, Noord-Zuid – we lijken er nu misschien redelijk ontspannen over van mening te verschillen, maar één conjunctuurdip en de lak barst.

De behoefte aan journalistieke pluriformiteit, opiniërend en onderzoekend, kan alleen maar toenemen. En je ziet ook dat kranten (niet alleen onder druk van oplagedalingen en kostenstijgingen) zich in vernieuwingsprocessen weer meer van elkaar gaan onderscheiden in identiteit en pluriformiteit een nieuwe betekenis krijgt. Ik bedoel: het maakt toch een behoorlijk verschil of je een krant maakt voor lezers die volgens een reclamecampagne `er toch wel komen' of een krant voor lezers die daar (fortuin, status?) helemaal niet willen komen of die achterom kijken en zich afvragen hoe het zit met degenen die niet zo goed meekomen? En wat misschien wel de beste krant voor de een is, hoeft dat helemaal niet voor de ander te zijn.

,,Een goede krant is, denk ik, een natie die in gesprek is met zichzelf'', zei Arthur Miller. Maar wil een natie goed zijn dan kan zij niet in gesprek zijn met één krant. Een pluriforme cultuur vereist een pluriforme pers waarin stromen en tegenstromen zichtbaar worden en waarin lezers hun krant herkennen, niet volgens het schema van verzuiling maar op grond van zijn identiteit.

Oplages mogen onder druk staan, meer jongeren mijden de krant en het is een heel karwei om het dagblad op tijd te bezorgen, maar Nederland is toch een hardnekkig abonnementenland, waar de lezers een zeer sterke band houden met hun dagblad. Zij kiezen een krant die bij ze past, waarvan de toon bevalt, die ze prikkelt hun eigen mening te vormen, die zich opwindt over zaken waarover ook zij zich opwinden, die minder aandacht besteedt aan zaken waarvoor zij minder belangstelling hebben, die net zoveel interesse heeft in economie, sport, lifestyle of levensbeschouwing als zij. Enzovoorts.

Kwaliteit is niet onaandoenlijk en daardoor ook een onbruikbaar criterium bij beantwoording van de vraag of pluriformiteit achterhaald is. Ben Knapen zegt zelfs dat alle Nederlandse dagbladen kwaliteitskranten zijn, ,,zelfs delen van de Telegraaf'' – hij laat Metro en Spits buiten beschouwing. Maar dat kranten gemeen hebben dat zij de onderbuik vermijden, betekent nog niet dat zij niet wezenlijk van elkaar verschillen. Journalistieke kwaliteit is overigens ook gebaat bij voldoende concurrentie.

En het verband tussen hogere oplages en meer redactionele kwaliteit lijkt even twijfelachtig als het verband tussen kijkcijfers en de kwaliteit van televisie. Dat we in Nederland nog niet zoveel dagelijks gedrukte pulp hebben is een compliment aan de lezers en aan sommige uitgevers, maar is geen vanzelfsprekendheid. Grote kranten, kleine kranten hebben elk hun eigen kwaliteiten. Het is aan redacties en uitgevers om ze relevant, rendabel en dus springlevend te houden. Want in de woordkeuze van Knapen ligt het gevolg van wat hem onvermijdelijk maar niet onoverkomelijk lijkt, al besloten: `verschraling van titels' is een verschraling van de samenleving.

Frits van Exter is hoofdredacteur van Trouw.