Fransen verbaasd na verkiezingen VS

Langzaam wordt duidelijk wat een regering van Bush betekent voor Frankrijk met zijn totaal andere democratie.

Bij het zien van het rommelige verloop van de verkiezingen in de VS maakte zich een mengeling van verbijstering, heimelijke voldoening en kalmte meester van de Fransen, wat niet alleen iets zegt over de Franse opstelling tegenover Amerika, maar ook iets zegt over de manier waarop de Fransen zichzelf zien.

Voor het sterk gecentraliseerde Frankrijk zijn de principes van het Amerikaanse federale stelsel volkomen onbegrijpelijk. De angst voor massademocratie, die al door achttiende-eeuwse Franse filosofen werd verwoord, mag dan een doorslaggevende invloed hebben gehad op de ingewikkelde, indirecte procedure voor de verkiezing van de Amerikaanse president, maar er gaapt een diepe culturele kloof tussen de twee democratische constituties. Hoe is het mogelijk dat een meerderheid van meer dan driehonderdduizend stemmen niet automatisch leidt tot een duidelijke overwinning? Hoe is het mogelijk dat een `politieke burgeroorlog' tussen twee even koppige kampen zo beschaafd en zo vreedzaam blijft? En hoe was het mogelijk dat de rechters van het Hooggerechtshof uiteindelijk zo machtig waren en hun politieke voorkeur konden volgen bij een `gelegaliseerd' politiek proces?

De uitweg uit de electorale impasse was absurd ingewikkeld, in technisch opzicht volstrekt verouderd, maar tegelijk ook volkomen legaal, zij het op een hypocriete manier. De Amerikaanse oplossing moest in een land als Frankrijk, met zijn combinatie van directe democratie, praktische rationaliteit en licht cynisme, wel aversie oproepen tegen de `Amerikaanse aanpak'.

Behalve verbijsterd is Frankrijk ook heimelijk, maar onmiskenbaar tevreden. Vanuit Parijs bezien kunnen deze verkiezingen de Amerikanen alleen maar `bescheiden' maken. Na zo'n debacle kunnen ze immers moeilijk nog `de ware democratie' prediken tegenover anderen, zoals ze dat afgelopen juni nog in Warschau deden op de met de Poolse regering samen georganiseerde democratische top. Nu al worden door Franse komieken geringschattende vergelijkingen getrokken tussen Florida en Corsica, waar ook verkiezingsfraude is geconstateerd.

Nu Frankrijk aan de vooravond staat van een moeizame en waarschijnlijk onfrisse verkiezingscampagne voor het presidentschap – die vermoedelijk ook nog zal worden ontsierd door verdere onthullingen over politieke en financiële schandalen – valt er misschien enige troost te putten uit de moeilijkheden die `s werelds machtigste democratie heeft ondervonden.

Toch is de Franse opstelling nog het beste te omschrijven als kalm. Niemand was in alle ernst bang dat de Amerikaanse verkiezingsfarce een destabiliserend effect zou hebben op de wereld. Alan Greenspan, Bill Gates en Steven Spielberg spreken meer tot de verbeelding van het publiek dan de Amerikaanse president, en dat geldt zeker voor de kandidaten van dit jaar.

Als we alleen naar de persoonlijkheden kijken is er een groter verschil tussen Bill Clinton en Al Gore, of tussen Clinton en George W. Bush dan tussen Gore en Bush. Clinton steekt ver boven beiden uit: men zal hem nog missen.

Een andere oorzaak van de kalme opstelling van de Fransen is dat de verschillen tussen Bush en Gore voor Europeanen niet opzienbarend genoeg waren om een voorkeur voor een van beide kandidaten te rechtvaardigen. De campagnes van beide kandidaten waren gericht op het Amerikaanse politieke centrum en Bush zal waarschijnlijk gedwongen worden tot een politiek van het midden. De geschiedenis van de verkiezingen – en van het verdeelde Congres – bevestigt deze veronderstellingen: de marges zullen smal zijn voor president Bush.

In Parijs beseft men natuurlijk wel enigszins dat de verschillen tussen de visie der Republikeinen en die der Democraten op Europa en haar rol in de wereld althans theoretisch van belang zijn. Het internationale beleid van Bush wordt meer gekenmerkt door eigenbelang, realisme en een tamelijk negatieve kijk op het Europese continent dan het internationalisme à la Wilson van Gore. Met Bush in het Witte Huis zal men meer in de verleiding zijn Amerika tegen de wereld te beschermen dan de wereld tegen zichzelf. Het National Missile Defence-project zal voortvarend worden uitgevoerd en de veiligheidsinitiatieven van Europa zullen op een zekere mate van scepsis, zo niet tegenstand kunnen rekenen.

Toch zal de veranderde mentaliteit waarschijnlijk minder opvallen dan men zou mogen verwachten op grond van de beleidsverschillen die in de campagnes ter discussie stonden. Ook onder een Republikeinse president zullen Amerikaanse soldaten `bescheiden humanitaire' taken in de Balkan op zich nemen.

Hoe het ook zij, er zijn Fransen die blij zullen zijn met Bush: bepaalde conservatieven vanwege hun ideologische verwantschap, bepaalde linkse socialisten die hem juist steunen omdat hij de vleesgeworden `vuile Amerikaan' is – hoe arroganter en negatiever hij zich gedraagt ten opzichte van Europa, hoe meer de volgende regering Europa zal stimuleren meer op zichzelf dan op de VS te vertrouwen. Dat is na de schamele resultaten van de top in Nice misschien niet direct een realistische beoordeling van de situatie. Mogelijk is de wens de vader van de gedachte. Maar het is een gevaarlijke illusie dat Europa één front zou kunnen vormen tegen de VS. Er zou alleen maar tweespalt onder de Europeanen zelf uit voortkomen.

De betrekkingen tussen Frankrijk en de VS zijn van oudsher complex en tegenstrijdig, en dat blijkt ook uit de visie van Frankrijk op de presidentsverkiezingen. Voor het eerst sinds de oorlog in Vietnam heerst in heel Frankrijk een anti-Amerikaanse stemming. De kritiek op het Amerikaanse imperialisme is vervangen door de gelijkstelling van globalisering met veramerikanisering. Vroeger werd Washington veroordeeld om zijn daden: `het bombarderen' van Vietnam, maar nu worden de Verenigde Staten bekritiseerd om wat ze zijn: een land waar de doodstraf eerder regel dan uitzondering is, een beschaving die model staat voor de rest van de wereld maar veel te materialistisch is.

Toch, ondanks alles, kunnen de Fransen slechts heimelijke bewondering koesteren voor die zo vreedzaam en beschaafd verlopen verkiezingen, hoe warrig en oneerlijk ze uiteindelijk ook waren. Zouden zij, met hun revolutionaire voorgeschiedenis, ook zo netjes zijn gebleven? Dat zal moeten blijken als Frankrijk straks niet alleen een nieuwe president moet kiezen, maar ook moet uitmaken wie van alle in diskrediet gebrachte politieke leiders te vertrouwen is.

Dominique Moïsi is adjunct-directeur van het Institut Français des Relations Internationales in Parijs.