De Vijfde Nota

DE RUIMTELIJKE TOEKOMST van Nederland is samengevat in een informatieblaadje van vier pagina's, uitgegeven door het ministerie van VROM. Daar zwaait Jan Pronk (PvdA) de scepter en deze minister staat er niet om bekend dat hij summiere nota's schrijft. De integrale versie van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, het kernstuk van het beleid van Pronk in deze kabinetsperiode en het uitgangspunt voor de ruimtelijke ontwikkeling in Nederland in het komende decennium, verschijnt dan ook in januari. Dat is later dan de bedoeling was en daarom kwam Pronk eind vorige week met een samenvatting. Deze beknoptheid is door sommigen uitgelegd als haast- of broddelwerk en door anderen aangegrepen om pavloviaanse kritiek te leveren op een raamwerk waarvan de gedetailleerde uitwerking niet beschikbaar is.

Ten onrechte. Pronk doet namelijk een nuttige aanzet tot beleidskeuzes, met oog voor de uiteenlopende belangen die strijden om een beroep op de schaarse ruimte. Hierbij hanteert hij twee uitgangspunten: ten eerste de vraag naar ruimte voor wonen, werken, recreëren, natuur, water en landbouw. Die vraag blijft een gegeven met een groeiende, welvarendere bevolking en met een bloeiende economie. Ten tweede het streven om een einde te maken aan de versnippering en verrommeling van het landschap, en om het dreigende dichtslibben van Nederland te bestrijden.

PRONK WIL DEZE vraagstukken gecombineerd aanpakken. Aan de ene kant decentraliseert hij bevoegdheden van het rijk naar de provincies en gemeenten. Subsidiariteit dus, en dat getuigt van realiteitszin, want gemeenten houden zich niet aan de gedetailleerde regels van de vorige Ruimtelijke ordeningsnota`s. Tegelijkertijd wil Pronk dat veel efficiënter met de schaarse ruimte in Nederland wordt omgegaan. Hij wil het ruimtegebruik intensiveren, combineren en transformeren. Dat is, met de wildgroei van bedrijventerreinen, nieuwbouwwijken, superwinkels, overslagcentra, infrastructuur, recreatieparken en agro-industriële complexen inderdaad dringend gewenst. Dit slimmere grondgebruik moet plaatshebben door de scheiding tussen natuurgebieden en gebieden waar bebouwing is toegestaan scherper te trekken en door in bebouwde gebieden het ruimtegebruik te intensiveren. Hiertoe wil Pronk nationale en provinciale landschappen en de vorming van nationale en regionale stedelijke netwerken bevorderen. Pronk geeft geen exacte locaties aan voor nieuwbouw – zoals de `vinexwijken' uit de vorige nota – maar noemt hiervoor de Bollenstreek, het terrein van het marinevliegveld Valkenburg dat zal worden verplaatst, en landschappelijk oninteressante `randen' van het groene hart.

DIT ZIJN ZINVOLLE uitgangspunten, die aansluiten bij bestaande ruimtelijke ontwikkelingen en tegelijkertijd dwingen tot scherpere keuzes door de versterking van stedelijke structuren en de afbakening van groene gebieden. In feite is de Vijfde Nota een late erkenning door de overheid van het grootstedelijke karakter van de kerngebieden in Nederland. De `metropolen' – zoals de Randstad – worden versterkt. Hierop zal ook de infrastructuur van het openbaar vervoer moeten worden afgestemd.

De kritiek stak onmiddellijk op: Pronk zou de `open ruimte' verkwanselen. Maar het `groene hart' is uit zichzelf al jarenlang bezig dicht te slibben. Met de voorgestelde groene contouren kan dit proces beter structuur krijgen en waar nodig een halt worden toegeroepen. Verder betrekt Pronk de waterhuishouding voor het eerst nadrukkelijk in de ruimtelijke ordeningsplannen. De beoogde `verdichting' in het stedelijke ruimtegebruik helpt verspilling van natuur juist tegen te gaan.

EÉN ELEMENT werd grotendeels over het hoofd gezien. Tegelijkertijd met de Vijfde Nota presenteerde Pronk ook een nota voor een nieuw grondbeleid. Sinds het kabinet-Den Uyl in 1977 op de grondpolitiek viel, heeft geen minister zich meer aan dit onderwerp willen branden. Pronk, die als minister indertijd getuige is geweest van de breuk met het CDA over het grondbeleid, trekt zich daar niets van aan. Hij wil de excessen van particuliere grondspeculatie beperken in gebieden die van gebruik veranderen – zoals landbouwgrond die bestemd wordt voor bebouwing. Daartoe zal de Wet voorkeursrecht gemeenten worden aangepast, en overweegt het kabinet een grondbelasting in te voeren, waarnaar in 2001 een studie zal worden verricht.

Zowel bij de voorstellen voor de grondpolitiek als voor de ruimtelijke ordening stelt Pronk zich eerder pragmatisch dan dogmatisch op. Dat kan voor sommigen een teleurstellende verrassing zijn, het getuigt van bestuurlijk inzicht en begrip voor ruimtelijk-economische ontwikkelingen.