Blenko

,,Pas maar op dat je er niet uitvalt'', roept iemand uit het peloton dat rond het schuttersputje staat. Opperwachtmeester Makkes, die het verdedigingswerk demonstreert, kan maar net over de rand kijken en ziet niet zo gauw wie de spreker is. Maar aan zijn priemende ogen te zien is rapport C.C. en een weekendje achter de wacht wel de minste straf.

Het schuttersputje was een eenpersoons gat in de grond dat werd gegraven met de pioniersschop die tot de PSU, de persoonlijke standaarduitrusting, van de soldaat behoort. Aan de kant van `de vijand' moest de helft van de bodem zo'n veertig centimeter hoger zijn dan de andere helft. Hier bovenop staande stak je net ver genoeg boven de uit de opgegraven aarde opgeworpen borstwering uit om aanstormende tegenstanders neer te schieten. Op rustiger momenten kon je onderin zitten of tanks over je putje laten rijden. Onderin moest je met je handen nog een gat maken van tien centimeter doorsnee en dertig centimeter diep. Met enige handigheid kon je er een naar binnen geworpen handgranaat inschuiven voordat deze tot ontploffing kwam.

Woorden als schuttersputje, tijgersluipgang, stormbaan, parate hap en ouwe stomp behoorden generaties lang tot het vocabulair van een groot deel van de mannelijke jeugd. Sinds de dienstplicht is afgeschaft in 1996 verdwijnt het krijgsmachtjargon echter snel uit het collectieve geheugen. Wie weet nog wat men zich voor moet stellen bij `Links uit de flank, eins' of `Ga maar op je gemak staan'. Alleen nog een handjevol beroepssoldaten en zelfs dat aantal wordt steeds kleiner. Blijkens krantenberichten slaagt de Koninklijke Landmacht er niet in om voldoende soldaten te rekruteren. Nog even en er moet weer net als vroeger krijgsvolk worden gehuurd in het buitenland.

`Ondergeschiktheid is de ziel van de krijgsmacht.' Dat is het credo dat elke rekruut wordt bijgebracht zodra hij onder de krijgstucht is geplaatst. In de tijd echter die ik in militaire dienst heb doorgebracht, heb ik geconstateerd dat er nog een ander bindend element was dat ten minste een even grote rol speelde en wel `blenko'. Blenko was een groene schoensmeerachtige pasta. Het Handboek Soldaat noemt het in die tijd `webbing pasta'. Het werd door de foerier verstrekt in groene blikken en diende om de uitrustingsstukken die van een soort canvasweefsel waren gemaakt, zoals koppelriemen, pukkels, ransels en dekkleden, te beschermen en waterdicht te maken. Na elke veldoefening was je dagenlang bezig met het schoonmaken van psu en wapen, en met `blenkoën'. Vooral dit laatste werd door iedereen als het allerergste corvee beschouwd. Niets heeft ooit de saamhorigheid in het leger meer versterkt dan het gezamenlijk kankeren op het groene goedje.

Slechts één keer hebben we plezier beleefd aan de blenko. Eens per jaar moest het beroepsmiddenkader dat de administratieve functies vervulde, een dag de hei op voor oefeningen te velde. Rond het middaguur werden ze door ons voorzien van een luchpakket. We hadden de boterhammen ruim besmeerd met blenko en met onze gezichten onherkenbaar gecamoufleerd lieten we de veelal corpulente manschappen achter onze rijdende drietonner aanhollen. Naar adem snakkend namen ze de pakjes brood in ontvangst.

Blenko wordt al jaren niet meer gebruikt. De huidige foeriers wisten zich het spul nog vaag te herinneren, maar de meeste die ik sprak wisten niet waar ik het over had. De materialen die tegenwoordig worden gebruikt hebben genoeg aan water en zeep.

Jan Blokker schreef enkele jaren geleden dat ons leger nog maar in één krijgskundig onderdeel uitblinkt en wel in de `feestelijke thuiskomst'. Ik weet hoe dat komt. Er wordt niet meer geblenkood.

    • Gerrit Kolthof