Sponsoring van onderwijs komt iedereen ten goede

Het door bedrijven sponsoren van scholen staat in Nederland nog maar in de kinderschoenen. Koudwatervrees lijkt de belangrijkste reden. Maar sponsoring is volgens Frits Huffnagel een goede mogelijkheid om af en toe een extraatje binnen te halen voor een school.

Sponsoring in het onderwijs is onderworpen aan een strenge sponsorcode die in 1995 is onderschreven door organisaties, ouders, leerlingen en personeel in het onderwijsveld. De sponsorcode die te vinden is op de website van het ministerie van Onderwijs stelt dat eenzijdige promotie van een bedrijf verboden is.

Volgend jaar wordt de sponsorcode geëvalueerd, maar aanpassingen lijken vooralsnog niet nodig. De code gaat uit van drie uitgangspunten. Sponsoring moet pedagogisch verantwoord zijn en in overeenstemming met de goede smaak. Ten tweede moeten scholen onafhankelijk blijven. En tenslotte mag sponsoring de continuïteit van de school niet beïnvloeden. In de praktijk betekent dit dat bijvoorbeeld lesmateriaal volledig en objectief moet zijn en geen reclame mag bevatten. Het betekent ook dat de school financieel niet afhankelijk mag worden van een bedrijf. In de wet staat bovendien dat ouders en leraren het recht hebben om een sponsorcontract tegen te houden. Deze uitgangspunten zouden de koudwatervrees voor sponsoring aanmerkelijk moeten doen afnemen. Dat gebeurt dan ook. In 1995 werd het onderwijs voor zo'n dertig miljoen gulden gesponsord, inmiddels gaat het om rond de honderd miljoen gulden.

Wat is het belang voor het bedrijfsleven om te sponsoren? In het bedrijfsleven is grote behoefte aan gekwalificeerde medewerkers. Soms wringen bedrijven zich werkelijk in allerlei bochten om in die behoefte te voorzien. Met name praktijkgerichte opgeleiden zijn nu en in de komende jaren bijna niet aan te slepen.

Bedrijven willen graag de bekendheid van hun bedrijf vergroten onder een groep potentiële medewerkers en zo mogelijk toekomstige medewerkers binden. Zo zijn er bedrijven die leerlingen in de laatste fase van hun beroepsopleiding al een overeenkomst aanbieden, waarin geregeld is dat het bedrijf de studiekosten betaalt en de leerling na het behalen van zijn of haar diploma in dienst komt van het bedrijf.

Op sectorniveau hebben ook veel activiteiten plaats om de banden tussen het onderwijs en de bedrijven aan te trekken: leerling- en docentenstages in bedrijven, open dagen van bedrijven voor leerlingen en ouders, gastdocentschappen, snuffelstages en het benutten van (gebruikte) bedrijfsapparatuur. Ook geven bedrijfstakken veel voorlichting aan leerlingen om ze aan te sporen het goede vakkenpakket of de juiste vervolgstudie te kiezen. Diverse branches kennen de bedrijfstakadviseurs die in de basisschool op bezoek komen en leerlingen vertellen hoe mooi hun vak is of was, want vaak zijn het vutters. Tijdens zo'n bezoek maken de leerlingen dan iets dat karakteristiek is voor de bedrijfstak. Daarnaast verlenen veel bedrijven hun medewerking aan beroepenmanifestaties.

Er gebeurt dus al veel. De voorbeelden hebben gemeenschappelijk dat het initiatief vaak bij het bedrijfsleven ligt. Het belang is evident. Bedrijven willen gekwalificeerd personeel, zeker op dit moment. De tijd dat bedrijven konden kiezen uit een groot reservoir van schoolverlaters is voorbij. En daarom zijn bedrijven erg actief hun wervingskanalen gevuld te houden.

Vanuit werkgeversoptiek is het verstandig de banden tussen het bedrijfsleven en het (beroeps)onderwijs te versterken. Er moet wel sprake zijn van wederkerigheid. Bij het aangaan van relaties moet er zowel oog zijn voor de belangen van het bedrijf als voor die van de school. Beide moeten hun voordeel zien. Zo kan een situatie ontstaan dat onderwijs en bedrijfsleven optreden als partners in beroepsonderwijs. En dat is wenselijk, niet alleen wegens de huidige arbeidsmarktproblemen, maar ook omdat de economische structuur van ons land verandert. Er is sprake van snelle economische ontwikkelingen, die met name door de toepassingsmogelijkheden van ICT veroorzaakt worden. Kennis en vaardigheden verliezen snel hun waarde en moeten regelmatig weer op peil gebracht worden. Het onderhoud en het aanleren van kennis en vaardigheden zijn voor de continuïteit van bedrijven van groot belang.

De ontwikkeling tot een kenniseconomie doet zich niet alleen voor bij de bedrijven van de nieuwe economie, maar ook de traditionele bedrijven krijgen er in toenemende mate mee te maken. De produktieindustrie is in toenemende mate ook een dienstverlenende industrie. Mensen spelen daarin een belangrijke rol. `Employability' en `een leven lang leren' zijn begrippen die snel terrein veroveren. Het onderwijs moet zo worden ingericht dat toekomstige werknemers de competentie verwerven zich snel aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen. De beste leerschool voor de beroepspraktijk, is de beroepspraktijk zelf. Nauwe relaties zijn daarvoor nodig.

In de naaste toekomst zullen onderwijsinstellingen en bedrijven steeds meer als een netwerk met elkaar verweven zijn. Ze hebben elkaar nodig om beide tot optimale resultaten te komen. De school, om goed op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen en leerlingen de optimale praktische leeromgevingen te bieden. Het bedrijf, om verzekerd te zijn van goed, juist en tijdig geschoold personeel. In dat verband is het een interessante ontwikkeling dat personeelsleden van bedrijven de mogelijkheid krijgen, via een detacherings- of een parttime-arbeidsovereenkomst, voor een paar uur per week praktijkdocent te zijn in hun vakgebied.

Al deze vormen van samenwerking, of sponsoring in natura, liggen nauwelijks gevoelig. Ze voldoen aan de norm dat het primaire proces van het onderwijs, ook zonder financiële bijdrage van derden, op kwalitatief hoogwaardig niveau blijft. Maar waarom zou een bedrijf niet ook kunnen bijdragen aan het aanschaffen van computers en software, het financieren van excursies, de uitbreiding of aanpassing van het schoolgebouw. Naast goede praktijkruimten kan dit er bovendien toe bijdragen dat schoolgebouwen beter en multifunctioneler worden. Niet alleen voor de onderwijsfunctie, maar ook voor de schaakclub die er 's avonds gebruik van kan maken. Of voor de operettevereniging die een repetitieruimte nodig heeft. En voor de buurt, omdat in het weekeinde de gymlokalen kunnen worden gebruikt. Het bedrijfsleven wordt regelmatig opgeroepen om maatschappelijk verantwoord te ondernemen. De mogelijkheid om te investeren in jongeren en dus in de toekomst mag dan niet buiten beeld blijven.

Deze bijdragen kunnen een enorme impuls betekenen. Voor de samenleving als geheel en bovenal voor de kwaliteit van het onderwijs. En dat is ook een goede reden om een extra financiële bijdrage te verstrekken aan onderwijsinstellingen. Een impuls om bepaalde activiteiten sneller van de grond te krijgen. In die zin is sponsoring een verantwoord fenomeen. Het draagt dan bij aan het partnerschap van onderwijsinstelling en bedrijf bij het beroepsonderwijs. Iets wat in de toekomst hopelijk een normaal verschijnsel zal zijn.

Frits Huffnagel is gemeenteraadslid voor de VVD in Amsterdam.