Nat van buiten, droog van binnen

Vocht bedreigt de fietser of wandelaar in de regen niet alleen van buiten. Makers van regenkleding proberen zowel hemelwater als lichaamsvocht te weren.

Of het nu door het versterkte broeikaseffect komt of door heel iets anders, de statistieken tonen aan dat het in Nederland natter wordt. Niet alleen komt de zee omhoog en loopt het IJsselmeer steeds slechter leeg, er komt ook steeds meer water uit de lucht vallen. Vooral in de vorm van zware buien. Vooral in de winter. Moderne winters zijn niet koud maar nat. Er is geen reden om aan te nemen dat het vanzelf weer over gaat en het is dus tijd de bakens te verzetten. De aanschaf van een goede regenjas is een verstandige investering.

Maar wat is een goede regenjas? Daar is niet makkelijk een goede definitie van te geven en dat komt omdat een regenjas vaak van twee kanten door vocht wordt belaagd. Aan de ene kant is er soms de regen aan de andere is er altijd de perspiratio insensibilis, het vocht dat door de huid wordt uitgescheiden zonder dat er echt `zweten' aan te pas komt. Anders dan bijvoorbeeld varkens, zeekoeien en schubdieren verliezen mensen veel vocht via hun huid: in rust zo'n 500 ml per dag, bij inspanning makkelijk een veelvoud daarvan. Wie in een goed dichtgeknoopte plastic wegwerpregenjas van de Hema middelzware arbeid verricht ziet de jas aan de binnenzijde net zo nat worden als de buitenzijde bij slecht weer: lichaamsvocht. Het vocht is geheel soorteigen maar toch bijna net zo vervelend als hemelwater. Dit is het grootste probleem van de regenjas.

De ontwerper van een goede regenjas staat voor de taak een jas te maken die het water van regen of gesmolten sneeuw zo goed mogelijk tegenhoudt en toch ook het lichaamsvocht makkelijk laat ontsnappen. Tegelijk moet de regenjas niet dik en warm zijn, want dikke, warme jassen die goed waterdicht zijn bestaan al eeuwen. De wollen Leidse zeeduffel is een goed voorbeeld. De Russische pelsjas een ander.

Jassen die aan de verschillende eisen voldoen zijn er al zo'n 180 jaar. Rond 1820 kwam de Schot Charles Macintosh op het idee textiel waterdicht te maken door het te bestrijken met een smeersel van rubber opgelost in terpentijnolie. Later is de terpentijn vervangen door nafta dat uit steenkoolteer werd gewonnen. Macintosh en zijn compagnon Thomas Hancock kozen voor een sandwich formule: de plakkerige, stinkende laag rubber (die tegenwoordig een `coating' genoemd zou worden) werd opgesloten tussen twee lagen textiel. De `macintosh' zoals hij ging heten was goed waterdicht en voerde ook lichaamsvocht heel behoorlijk af omdat hij, dankzij zijn stugheid, nogal wijd uit stond. Daardoor onstonden tussen lichaam en jas ventilerende convectiestromen: het schoorsteeneffect. In de ruime ventilatie schuilt de kracht van de poncho. Het bezwaar van de macintosh van Macintosh was dat hij zwaar en onhandig was. Ongetwijfeld ontstonden in de rubber van lieverlee ook barsten en dunne plekken waar water doorheen kwam.

Later, in de twintigste eeuw, verschenen er ook goede lichte regenjassen die waterdicht waren zonder rubber. Ze bestonden uit dicht textiel, in linnenbinding geweven uit een fijne draad en daarna geïmpregneerd met een goede slijtvaste waterafstotende finish (een `durable water-repellent finish': DWR) . Dat soort regenjassen, in lange uitvoering vooral bekend van leidinggevenden en hogergeplaatsten, houdt óf extreme regenval niet goed genoeg tegen óf extreme zweetproductie juist te veel. Daar staat tegenover dat ze aangenaam aanvoelen en plooien waar dat gewenst is: de `val' is mooi. Vaak lijken ze beter waterdicht dan ze werkelijk zijn omdat de waterafstotende finish een egale benatting van het textiel aanvankelijk verhindert: het vocht verzamelt zich in losse druppels die makkelijk wegrollen. Dit prettige afpareleffect (Abperleffekt) mag, melden technici op internet, niet verward worden met waterdichtheid. Het afpareleffect verhindert dat de jas te zwaar wordt en bespoedigt de droging na de regenbui, maar heeft weinig invloed op het gemak waarmee regen door de kieren van het weefsel dringt.

Toen direct na de Tweede Wereldoorlog de massafabricage van goedkoop plastic op gang kwam verschenen er al snel plastic regenjassen. Soms waren het stugge jassen van katoen of linnen waarop een laag PVC of ander plastic was aangebracht. Soms ook was helemaal geen dragende textiellaag aanwezig en bestond de jas uitsluitend uit plastic. Dat was goedkoop, maar heel kwetsbaar. Van lieverlee kwamen er ook mengvormen: lichte en soepele katoenen of kunststof weefsels met een dunne plastic coating. Toch moest er worden geredderd met gaatjes en spleten om enige ventilatie te krijgen en bij de geringste lichamelijke inspanning schoot die tekort. Omdat anderzijds de water-repellent finishes voor de behandeling van dicht katoenweefsel steeds beter werden (siliconen en fluor-verbindingen raakten favoriet) waren tot aan 1975 regenjacks voor het echte zware buitenwerk, zoals in het leger, nog geheel vrij van plastic. En heel erg veel te klagen was er toen eigenlijk niet.

Vijfentwintig jaar geleden werd alles anders : toen introduceerde W.L. Gore een plastic membraan die weliswaar ondoorlaatbaar was voor regen (als vloeistof) maar permeabel voor lichaamsvocht (in dampvorm). De membraan kon ademen. De `hydrofobe' (waterafstotende) membraan bestond uit een vlies `expanded' polytetrafluoretheen (ePTFE, `teflon') dat uit min of meer chaotisch gerangschikte vezels was opgebouwd. Tussen de vezels bleven met grote regelmaat poriën over van een paar micron diameter (een micron is 0,001 mm). Te klein voor waterdruppels, groot genoeg voor de losse moleculen van waterdamp. Gore combineerde het vlies met textiel door het daaraan te puntlassen of puntlijmen: Gore-Tex. Het werd al snel toegepast in regenkleding, schoenen en – met minder succes – in tenten. De eerste jaren hebben velen zich afgevraagd of het geclaimde `ademen' wel echt optrad, inmiddels wordt daar niet meer aan getwijfeld.

Bovendien is gebleken dat ook andere dan alleen PTFE-membranen van de bedoelde poriën zijn te voorzien en dat ook `coatings', die per definitie zoals het rubber van Macintosh rechtstreeks op het textiel worden aangebracht, microporeus zijn te maken. Tenslotte is gebleken dat de bedoelde asymmetrie tussen vloeistof- en damptransport ook is te verwezenlijken met membranen of coatings die helemaal geen poriën hebben maar waterdamp transporteren omdat ze `hydrofiel' zijn. In Nederland is het Sympatex van Akzo Nobel, een polyester vlies, het meest bekend maar er zijn er veel meer.

Er zijn nu dus vier soorten waterdichte ademende regenjacks en de consument staat voor de taak te achterhalen welke jacks de beste zijn. De Warenwet laat hem in de kou staan want het predicaat `waterdicht', 'waterafstotend' of `water repellent' geniet hier geen wettelijke bescherming of definitie.

Eén ding staat vast: aan de persoonlijke ervaringen van juichende of bitter teleurgestelde buitensporters heeft men niets. Zij hebben geen oog voor reproduceerbaarheid of de inwerking van bijzondere omstandigheden. Verschillen tussen regenjacks moeten blijken uit het soort laboratoriumproeven dat in Nederland wordt uitgevoerd door TNO Textiel in Enschede of TNO Technische menskunde in Soesterberg. Of bij het instituut Empa in Zwitserland.

In de aflevering januari/februari 2000 van het maandblad Op Pad zijn de resultaten bekend gemaakt van TNO- en Empa-onderzoek aan twaalf moderne regenjacks, in gewicht variërend van 500 tot 1200 gram en in prijs van 500 tot 900 gulden. TNO deed het waterdichtheidsonderzoek (de meeste jassen voldeden) en gebruikte daarvoor waarschijnlijk de gewone waterkolomtest. In de oude opzet plaatste men daarbij een kolom met een diameter van zo'n 12 à 15 centimeter op het te onderzoeken textiel en werd vervolgens gemeten tot hoever de kolom met water was te vullen voor er onder het weefsel druppels veschenen. Een gangbare eis voor waterdichtheid is 120 tot 150 centimeter, dat komt overeen met 0,12 tot 0,15 bar. In de moderne kolomtest wordt het water aan de onderzijde van het textiel gebracht en meet men rechtstreeks bij welke druk aan de bovenzijde waterdruppels zichtbaar worden. Van belang is, zegt een TNO-woordvoerder, dat wij ook altijd naden in de proef opnemen. Vaak zijn dat de zwakste plekken. In de alternatieve Bundesmann-test wordt de regeninvloed meer realistisch nagebootst door een opgespannen stuk doek te bedouchen en tegelijk te bewrijven.

Empa in Zwitserland onderzocht het ademend vermogen. Mouwen van de te onderzoeken jassen werden, aan boven- en onderzijde luchtdicht afgesloten, geschoven over een knikkende kunstarm die op eigen kracht kleine hoeveelheden vocht produceert, zoals een mensenarm dat doet. Het knikken van de knikarm bootst de natuurlijke pompbewegingen na. Langs indirecte weg (een warmte-meting) wordt nagegaan hoeveel vocht door het textiel dringt. Wat erin of eraan absorbeert en adsorbeert (door condensatie) wordt als een gewichtstoename gemeten. Onder de test-omstandigeden (vreemdgenoeg 20 graden Celsius) werd per uur en per vierkante meter 150 tot 250 gram water doorgelaten. Een extra 10 tot 30 procent bleek bovendien in het doek achter te blijven. Op grond hiervan heeft `Op Pad' een rangorde opgesteld, maar de TNO-woordvoerder in Enschede beweert, op grond van eigen ervaringen met een knikarm, met grote stelligheid dat de gevonden verschillen in ademend vermogen niet-significant zijn. De spreiding in de resultaten is daarvoor te groot. De lichtste, goed waterdichte jas (een Berghaus) is dus misschien wel de beste. Van groter belang lijkt dat is bewezen dat het ademen van coatings en membranen geen fabeltje is.

grootste probleem van regenjas