Na de revolutie

Geen schitterender stad dan Querétaro, een conglomeraat van kerken, kloosters en patriciërshuizen in het centrale hoogland van Mexico, tweeduizend meter boven de zeespiegel.

In de kerken hoeft men maar omhoog te kijken om verblind te worden door het klatergoud dat langs de plafonds buitelt. In de herenhuizen opent men de luiken slechts om de ochtendkoelte binnen te laten. Op de trottoirs bedelen Otomi-indianen en etaleren hun schamele koopwaar in het helle zonlicht.

Ik heb kleingeld paraat voor het lamentabele gezang van de vrouw die de omgeving teistert met haar leed; voor de man met een open wond op zijn been; voor de verminkte jongen met zijn trommeltje; voor de jonge vrouw met haar kroost, gehurkt tussen het vuil van de straat.

Ik tref Ewald, Nederlander en als linguïst verbonden aan de universiteit van deze stad. We nemen de bus. We gaan op weg naar Santiago Mezquititlán, een dorp van Otomi's, een indianengroep verspreid levend rond Querétaro. Een ravijn scheidt ons van het achterliggende bergland met schaarse begroeiing. Een enkele akker wordt omzoomd door cactussen. Uit de berm pikken we een man op die met zijn gitaar door het middenpad gaat en geld vraagt voor een droevig lied. Dorpen blijven verlaten achter als de bus is gepasseerd. Overgeleverd aan de hitte.

De chauffeur stapt uit bij een autosloperij en onderhandelt over een onderdeel. Wij turen door het raam, worden gestoofd en wachten. Een jongen stapt in, schraapt zijn keel en verzoekt de passagiers te `coöpereren' voor zijn moeder die in het ziekenhuis ligt.

In de verte daagt Santiago Mezquititlán. Ewald doet hier onderzoek. Hij brengt de ongeschreven taal van de Otomi's in kaart. Bij het kerkhof treffen we enkele dorpelingen die zich aan `pulque' bedrinken. Ze omringen Ewald. Een vrouw zeurt om een `suchi'. Het enige woord in Otomi dat me bijblijft omdat de vrouw overduidelijk demonstreert dat het om een kus gaat.

Ik loop door naar een kapelletje. Kan ternauwernood onder het lage gewelf staan. Er flakkeren wat kaarsjes. Een man die zijn gebed heeft beëindigd, geeft zijn zoontje opdracht een glas water voor me te halen. Het kind is zo verlegen dat het in snikken dreigt uit te barsten. En ik weet me geen raad met het water dat ik – zelfs met Gods zegen – niet durf te drinken.

Vind Ewald terug bij het schooltje. Twee klaslokalen. Het merendeel van de lessen bestaat uit videocursussen, docenten ontbreken. Ewald heeft me overgehaald de leerlingen over Holland te vertellen. Grijnzende gezichten begroeten de gringo's die voor het front van de klas verschijnen. Ik red me in het Spaans. Gegiechel om het land onder de zeespiegel, de jaargetijden met 's winters ijs en sneeuw, hier onaantastbaar op de toppen van vulkanen. Er zijn dringender kwesties: wat kosten meneer zijn schoenen? Wat kost zijn reis hierheen? Wat doet meneer dan voor de kost dat hij dat allemaal kan betalen? Hij is acteur.

Nu barsten de vragen los. Hebt u in films gespeeld? Kent u Silvester Stallone? Arnold Schwarzenegger dan?

Na afloop zit ik buiten in de schaduw. Een meisje komt naar me toe. Ze aarzelt. Ze bloost. Ze wil weten hoe ze actrice zou kunnen worden. Ik zou me in een stuk van Tsjechov kunnen wanen: weemoed van het platteland, het jonge talentvolle meisje tegenover me, vol verlangen naar het bruisende leven in de grote stad... Maar ik sta met mijn mond vol tanden. Roep Ewald te hulp. We traceren een mogelijke weg. Ze zou naar Querétaro kunnen gaan, naar de universiteit... Haar ogen beginnen te stralen bij deze toekomstmuziek. Maar ze is een indiaanse, een Otomi, haar ontbreekt geld, opleiding, voorspraak, kruiwagens... `Waar een wil is, is een weg', opper ik. Het klinkt niet overtuigend.

Men brengt ons naar de nabije hacienda, La Torre. We passeren een vervallen stuwdam die in het begin van de twintigste eeuw – tijdens de dictatuur van Porfirio Díaz – werd gebouwd om de landerijen te bevloeien.

De hacienda blijkt een ruïne. Slechts een façade van sierlijke arcaden staat nog overeind. De Revolutie van 1910 joeg als een storm door Mexico. De familie die eigenaar was, vluchtte. De Otomi's wisten niet goed wat ze met de verlaten rijkdom moesten beginnen, bang als ze waren gestraft te worden zodra de landheren weer opdoken. Toch sloopten ze het een en ander als materiaal voor hun huisjes. Alleen de muren overleefden. Monument voor een nimmer ingeloste belofte. Want de Revolutie woei over. De `nouveaux riches révolutionnaires' nestelden zich in het machtscentrum. De twintigste eeuw werd getekend door veranderingen die aan de Otomi's voorbijgingen.

Het land rondom wordt doorkruist door beekjes, goten, greppels die kleine percelen bevloeien. Langs de weg staat een Amerikaanse slee – dak en portieren open – onder een waterval. Mannen zitten naakt op de roodleren banken en laten het water over zich heen plenzen. Gods water over Gods akker.

De zon stuitert weergaloos op de snelweg naar Querétaro.