Het verdriet en de liefde van een stiefvader

Gezin Levi van Dam (35) is stiefvader. Zijn vriendin en hij denken na over een kind van hen samen. Verandert dat iets aan de liefde voor zijn twee stiefdochters?

Foto Harry Fodor / Getty Images

Eén op tien gezinnen in Nederland is een nieuw samengesteld gezin. Na enkele jaren gaat 60 procent van die samengestelde gezinnen weer uit elkaar. Ik kende de cijfers niet precies, maar heb in mijn vak als orthopedagoog genoeg gezien om te weten dat scheiden een bron van onrust is. Zeker als een ouder dan ook nog eens tot over de oren verliefd wordt. Als tijdens onze kennismaking mijn huidige vriendin vraagt of ik ooit nog kinderen zou willen, houd ik mij dan ook wijselijk op de vlakte. Ze is net gescheiden en heeft twee dochters. Naar mijn idee is vaag zijn de kansrijkste uitgangspositie. Zeker omdat ik zelf ook net ben gescheiden en het idee van kinderen krijgen mij angst inboezemt. Misschien zijn stiefkinderen wel de ideale middenweg? Je hebt het plezier van het gezinsleven, maar kunt weer opstappen als datzelfde gezinsleven beknellend wordt. Mijn eerste ontmoeting met de kinderen, zes maanden later, is ontnuchterend.

Als ik bij mijn vriendin Esther aankom, is ze druk bezig met stofzuigen. „Nee, niet daar lopen”, waarschuwt ze, „daar ligt glas. Anna stootte net haar glas om. Ja, daar, ga daar maar even zitten bij de meisjes. Ik ruim dit op en kom eraan.” Geïrriteerd door mijn eigen ongemak ga ik tegenover twee meisjes (toen 2 en 4, inmiddels 7 en 9) in roze prinsessenjurkjes zitten. Ze houden elkaars hand vast en kijken mij angstvallig aan. „Hoi, ik ben Levi, hoe heten jullie?”. Twee paar ogen staren mij aan. Ze horen mij natuurlijk niet, die stofzuiger. Ik glimlach nog een keer en kijk naar buiten. Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat ze mij van top tot teen bekijken.

De rest van de middag verloopt wel soepel. De vanzelfsprekendheid in het contact tussen mij en hun moeder doet hun goed. De afwachtende houding maakt plaats voor enthousiasme. Ik moet natuurlijk hun slaapkamer zien, compleet roze. Van boven op het stapelbed roept Anna ineens dat ze naar beneden wil springen, in mijn armen. Ik schrik, haar kinderlijke vertrouwen overweldigt mij. Als ik vraag of ze dat echt wil, lijkt ze ineens mij te zien – de vreemde man die ze anderhalf uur kent – en schudt beduusd van nee. Ze klimt het stapelbed af en duwt haar gezicht in de schoot van haar moeder.

De meeste stiefvaders praten niet over het stiefvaderschap, zij „lijden in stilte”

Na twee uur vertrek ik. Dit moest tenslotte een ‘gewoon bezoekje’ zijn. Met nieuwe mensen breng je niet direct een hele dag thuis door. Ik rijd de straat uit en draai de eerstvolgende parkeerplaats op en zet de automotor af. Ik voel tranen. Femme en Anna. Ze zijn nog zo klein. Mag ik in hun leven stappen? Wat ga ik voor ze betekenen? Durf ik dit? Kan ik dit? Ik slaap slecht als ik bij Esther ben en de kinderen daar ook slapen. Ik luister. Hoor ze als eerste wanneer ze midden in de nacht uit bed komen. En geef Esther een duw, dat ze wakker moet worden. Ik voel mij net een vader, die bij iedere kik van zijn eerste kindje wakker wordt.

Een rol spelen in de opvoeding

Ruim de helft van de stiefvaders ziet zichzelf als mede-opvoeder en neemt een actieve rol in tijdens de opvoeding. Een derde stelt zich op als vriend van de moeder en houdt zich wat meer afzijdig. De resterende stiefvaders (zo’n 10 procent) laat de opvoeding volledig bij moeder. Deze cijfers zijn afkomstig uit het onderzoek van Johannes Mol, onderzoeker aan de Hogeschool Leiden. Hij interviewde meer dan 250 stiefvaders en ging vooral op zoek naar de stiefvaders die een rol als mede-opvoeder innemen. Zijn onderzoek, Slechts stiefvader (2017), wijst uit dat slechts 15 procent van hen zichzelf in de vaderrol ziet.

Ruim een jaar na de eerste kennismaking met de twee prinsesjes, spreken Esther en ik af dat ik bij haar ben in de week dat de kinderen er ook zijn. Dat biedt hun meer duidelijkheid. En ik merk dat ik een rol wil spelen in de opvoeding. Ik kan niet aan de zijlijn blijven staan terwijl Esther veters strikt, haren kamt en ruzies oplost. Gelukkig wil Esther dat ook, ze zegt zelfs dat ze haar kinderen ‘mij gunt’.

Begeleiden naar zwemles hoort er nu bij. Ik zit met andere ouders ongemakkelijk warm te wezen in het zwembad en werp bemoedigende blikken en duimpjes het water in. Soms kijk ik naar de andere ouders en vraag mij af of zij zien dat ik niet de vader van de twee meisjes ben. Doe ik onnatuurlijk hard mijn best met mijn aanmoedigingen?

De vader van Anna en Femme heb ik inmiddels al vaak gezien en ik heb veel respect voor hoe hij mij heeft geaccepteerd. Ik zie hem regelmatig bij het halen en brengen, ons contact is prima. Maar het afzwemmen is het eerste moment dat ik hem zie bij een publieke gelegenheid ter ere van de kinderen. Als Anna het zwembad uitklimt met een grote glimlach, schrik ik. Ik sta vooraan. Ik zie dat zij de rij grote mensen bekijkt, op zoek naar haar ouders. Haar blik blijft even hangen bij mij – en ze zoekt dan verder.

Het co-ouderschap bestaat inmiddels twintig jaar, hoe is dat eigenlijk voor de kinderen? NRC zocht het in een serie interviews uit.

Volgens Mol ervaren stiefvaders een constante angst om afgewezen te worden. Ze zijn op hun hoede voor de afhankelijkheid van hun stiefkinderen: zij kunnen eenzijdig de relatie opzeggen. Dat een stiefvader juridisch gezien niets is van het stiefkind, helpt niet. De meeste stiefvaders praten niet over het stiefvaderschap, zij „lijden in stilte”, schrijft onderzoeker Mol. Ik herken dat, toen Anna uit het zwembad stapte en mij als eerste zag, maakte mijn hart een sprongetje. Om daarna meteen te voelen: dit is niet mijn plek. Dat is pijnlijk, ik was toch ook bij zoveel zwemlessen? Ik weet dat dit mijn pijn is en dat Anna haar verdriet om papa en mama die niet meer bij elkaar zijn groter is. En toch, ook bij mij doet het zeer.

Schuldgevoel

Een paar dagen later zegt een vriend: „weet je, vader en stiefvader is voor mij echt iets anders. Stel, ik zit op een vlot met mijn kinderen en de twee kinderen van mijn vriendin. Om de overkant te halen, moeten er twee kinderen van het vlot af. Dan is het voor mij héél duidelijk welke twee dat zijn.” Ik sidder bij de gedachte. En ik herken het, zij het in andere vorm. Enkele dagen later wordt Anna bijna aangereden bij het oversteken van een drukke weg. Ik scheld en tier op de bestuurder en geef Anna een dikke knuffel. Eventjes voel ik het diepe verdriet als ze zou zijn aangereden. Dat wordt al snel overschaduwd door de intense schaamte en het schuldgevoel richting haar ouders. Die zou ondraaglijk zijn.

De helft van de stiefvaders – die een actieve vaderrol op zich nemen – vindt dat je net zoveel van je biologische kind kunt houden, als van een stiefkind. Dat neemt niet weg dat zij worstelen met hun rol en bang zijn om iets kostbaars kapot te maken. Volgens Mol zijn deze pijnlijke gevoelens er, omdat de stiefband heel goed is. Hij noemt het in zijn onderzoek „de pijn van het stiefvaderschap”. Gevoelens van liefde, verbondenheid, trots en dankbaarheid staan hiertegenover.

Krijgt ons kindje niet een mooier leven dan Femme en Anna, met twee ouders die wel van elkaar houden en bij elkaar blijven?

In ongeveer een derde van de nieuw samengestelde gezinnen krijgen de ouders ook gezamenlijk kinderen. Als ik terug kom van een maand alleen reizen in Cambodja en China, wil ik die volgende stap zetten. Na ruim drie jaar samenwonen voelen Esther en de kinderen als mijn thuis. In het laatste hotel in Beijing, schrijf ik op de wall of fame: „Ik kom naar huis lieve Esther, Femme en Anna.” Eenmaal thuis open ik het gesprek over een gezamenlijk kind. De sfeer die ik ontmoet is bitterkoud. Esther wil niet. Er breken zes maanden aan van conflict, toenadering, ruzie en nabijheid. Esther zegt dat ze bang is: krijgt ons kindje niet een mooier leven dan Femme en Anna, met twee ouders die wel van elkaar houden en bij elkaar blijven? Zo had ik het nog niet bekeken. En toch, ik kan en wil niet mijn kinderwens opzij zetten voor twee kinderen van wie ik zielsveel houd, maar die niet mijn bloed zijn.

Relatietherapie

In de week dat de kinderen bij ons zijn, ben ik bij hen in Amersfoort. De andere week ben ik terug in mijn appartement in Amsterdam. Om uit de impasse te geraken zijn we gestart met relatietherapie. Tijdens een van de sessies geeft Esther aan toch wel samen kinderen te willen. Alleen wil ze meer tijd om na te kunnen denken over de consequenties van deze keuze voor Femme en Anna. De draai die ze maakt kan ik niet volgen en ik vertrouw het niet: wil ze echt samen kinderen of zegt ze dit om mij bij zich te houden?

Thuis in Amsterdam vervang ik mijn slaapbank voor een tweepersoonsbed. Als de vriend van het vlot helpt bij het in elkaar zetten, vraagt hij waarom ik nog in Amsterdam zit: „Esther wil nu wel een kind, waar wacht je nog op?” Ik verzucht dat ik het niet weet. Durf ik het niet aan, het echte vaderschap? Esther zegt dat de band met een eigen kind vast anders is dan die met stiefkinderen, maar dat de band met Femme en Anna vast niet minder waardevol is. Ik weet niet of ze gelijk heeft, of dat ze dit vooral hoopt. En toch. Na een retraiteweek in Frankrijk besluit ik dat ik dit wil. Een eigen kind. In Amersfoort zeg ik tegen Esther , dat ik samen met haar een kind wil.

Noeste arbeid

Mijn stiefvaderschap is iets wat groeit met pijnscheuten, aantrekken en afstoten hoort erbij. En dat ga ik steeds meer waarderen. De relatie tussen een stiefouder en een kind is er een van twee mensen die er voor kiezen elkaar lief te hebben. Als biologisch ouder ben je min of meer veroordeeld tot het ouderschap, als stiefouder is het een keuze. Als volwassene moet ik afstemmen op het kind en als ik niet geaccepteerd word, lig ik eruit. Niet andersom. Alleen met wederzijds goedvinden, kan er een hechte band ontstaan. Het is geen vanzelfsprekende liefde, het is het resultaat van noeste arbeid.

Bij een scheiding zijn kinderen hoe dan ook de klos. Op een speciale cursus leren ze om te gaan met woede en verdriet

Thuis is de verbouwing in volle gang, de zolder wordt omgebouwd tot twee slaapkamers voor de meiden en het ‘kleine kamertje’ wordt nu een kamer voor de kleine. Esther is bijna 36 weken zwanger. Het appartement in Amsterdam heb ik verkocht, het tweepersoonsbed dat ik destijds kocht staat nu op klossen. Femme en Anna zijn blij en zorgen als de besten voor hun moeder. Ze zeggen dat ze een zusje krijgen. Ik maak voor het eerst een kind-min-negen-maanden mee. Ik voel het schoppen in de buik. En ik weet: dit is mijn kind, mijn dochter. En voor het eerst herken ik de angst die Esther instinctief al voelde: zal ik meer van haar houden dan van Femme en Anna? Ik ben bang van wel. Het zal anders zijn, maar Femme en Anna van het vlot afduwen? Geen sprake van. Ik ben trots op mijn prachtige dochters, met wie ik alle drie een unieke band heb.