Gedreven poëzievertaler

James Brockway (1917), de dichter en vertaler die afgelopen vrijdag overleed, kwam als jonge Engelsman naar Nederland `om dichter te worden'. Dat is een eigenaardige weg voor een dichter, om midden in een andere taal te gaan wonen, maar zo deed hij het. Hij hield van dingen die moeilijk waren, het liefst bijna onmogelijk. Zo begon hij dus in een vreemd land poëzie te schrijven, en zie, het lukte: in 1949 kwam zijn bundel No Summer Song uit. Toen kreeg hij zin in iets anders moeilijks, al bleef hij wel zelf gedichten schrijven. Hij begon ook Nederlandse gedichten, gedichten van Bloem en Achterberg, in het Engels te vertalen. Daar zat Engeland helemaal niet op te wachten, maar dat was reden te meer voor Brockway. En hij kon het goed. De dichter en uitgever T.S. Eliot, die lusteloos Engelse vertalingen van Nijhoffs poëzie had afgewezen en die de piepjonge Nederlandse Stichting voor Vertalingen liet weten dat poëzievertalingen uit het Nederlands alleen kans van slagen hadden als een beroemde dichter er zijn naam aan verbond, werd ineens enthousiast voor Nederlandse poëzie toen hij Brockways Achterberg-vertalingen onder ogen kreeg.

In 1966 kreeg hij de Martinus Nijhoff Prijs voor zijn werk. Hij ging onvermoeibaar door. Hij vertaalde Kopland in het Engels, hij maakte een dikke bloemlezing met werk van acht Nederlandse dichters, de laatste jaren vertaalde hij werk van Patty Scholten en nog meer van Kopland, onvermoeibaar bracht hij Nederlandse gedichten onder de aandacht van het Engelse publiek. In 1997 kreeg hij een ridderorde voor zijn verdiensten.

Omgekeerd deed hij ook zijn best. Hij schreef eerst in het Algemeen Handelsblad en later in de Nieuwe Rotterdamse Courant enthousiasmerend over modern Engels proza. En onlangs verscheen zijn laatste dichtbundel: The Brightness in between.

Hij had alle reden om, toen hij oud was, tevreden terug te kijken op een welbesteed leven, maar dat deed hij niet. Hij ging door. Toen ik hem in 1997 sprak, hij was toen toch al 80, beweerde hij nog lang niet genoeg gedaan te hebben: ,,Ik had tien keer zoveel moeten doen. Ik ben helemáál niet tevreden. Vijfentwintig jaar geleden begon een recensie in Engeland met de bewering: `We weten eigenlijk niets van Nederlandse literatuur'. Een half jaar geleden begon een recensie met precies dezelfde zin!''

Door zoiets liet hij zich overigens niet in het minst ontmoedigen, integendeel, het spoorde hem aan tot grotere inspanningen, meer vertalingen, meer briefjes aan alles en iedereen om duidelijk te maken dat er in het Nederlands toch heel belangwekkend gedicht werd.

Een Engelse jonge man die zich zo onvermoeibaar inzet voor onze poëzie, zal niet gauw weer op een dag hier arriveren. De oude man die nu van ons is weggegaan was een bijzonder iemand. Hij was een vrolijke Sisyfus, een nauwkeurige vertaler, een luchtige dichter. Hij vond poëzie belangrijk, maar deftig deed hij er niet over: Poetry too, is but the name we give/ to a clever way with words for what it is to live, dichtte hij.