Europa moet trouw aan de NAVO tonen

Turkije zorgde er vorige week voor dat een akkoord over inpassing van de snelle-reactiemacht van de EU in de NAVO uitbleef. Eerder bleek het Europese initiatief transatlantische verdeeldheid op te roepen. Volgens Wesley Clark is het de hoogste tijd voor duidelijkheid over de Amerikaanse inzet in Europa en over de tegenprestatie die de VS verwachten.

Toen de leiders van de Europese Unie vorig jaar aankondigden een 60.000 man sterke Europese legermacht op de been te willen brengen, leek dat een mogelijke uitweg uit jaren van transatlantisch geruzie over `het delen van verantwoordelijkheden' (burden-sharing). Nu zijn de Europeanen net na een jaar klaar met de organisatie en het ontwerp van procedures voor dit leger, en meteen klinkt de waarschuwing dat het weleens een bedreiging zou kunnen vormen voor de NAVO.

De Europeanen waren nu juist op het idee van een autonome militaire macht gekomen door het gedrag van Amerika. Eerlijk is eerlijk, wij Amerikanen hebben bij de Europeanen de indruk gewekt dat de gemeenschappelijke belangen die de verdragsorganisatie vijftig jaar lang bijeen hebben gehouden voor ons niet meer zo sterk golden. Wij hebben de Europeanen laten geloven dat we in de toekomst niet meer te hulp zouden schieten als de veiligheid in Europa bedreigd wordt.

Dit is het moment om de zaken in het juiste perspectief te plaatsen. De NAVO is vijftig jaar geleden opgericht om Europa te beschermen tegen een invasie en de intimidatie van Stalins Rode Leger. Toen generaal Dwight Eisenhower in 1951 het gebied onder zijn commando bekeek, constateerde hij dat de Europeanen – de Engelsen en de Fransen – te weinig deden aan zelfverdediging. Sindsdien is binnen de NAVO `het delen van verantwoordelijkheden' onderwerp van discussie. De discussie werd actueler door het einde van de Koude Oorlog, en werd nog verder op de spits gedreven door de oorlogen in de Balkan.

Toen Joegoslavië aan het begin van de jaren negentig door een verbitterde etnische oorlog uiteenviel, zaten er geen Amerikaanse soldaten bij de eerste contingenten van de vredesmacht. De oorlog werd gezien als een eerste test voor Europa: kon Europa voor zichzelf zorgen? Maar de vredesmacht van de Verenigde Naties, met inbegrip van onze Engelse en Franse bondgenoten, kon zonder steun van de NAVO niet op tegen de strijdlustige Serven. En zonder de Amerikaanse diplomatie kwam er geen einde aan het conflict.

Pas na de afspraak in Bosnië 25.000 Amerikaanse grondtroepen in te zetten, kon in Dayton een akkoord worden gesloten dat een eind moest maken aan de oorlog. Toch waren binnenslands de meningen verdeeld over de Amerikaanse bijdrage. Zowel onder vier ogen als in het openbaar spraken de Amerikaanse leiders hun afkeuring uit over de Europeanen. En de Europeanen zagen een isolationistische tendens ontstaan in het Congres.

De wrijving werd nog duidelijker tijdens de militaire acties in Kosovo. Er waren talloze transatlantische meningsverschillen: over welke doelen moesten worden getroffen, wanneer en in welke mate escalatie toelaatbaar was, wanneer grondtroepen moesten worden ingezet. De Verenigde Staten wilden de leiding over de aanvallen: het ging immers om onze inlichtingendienst en grotendeels onze luchtmacht. Maar de Europeanen wilden ook een rol: zij namen ook een deel van zowel de militaire als de politieke risico's op zich. En zij zouden de meeste vluchtelingen te verwerken krijgen in geval van een mislukking. De transatlantische band werd ver uitgerekt, maar scheurde niet.

Uiteindelijk kregen de Verenigde Staten uit praktische overwegingen de leiding in Bosnië en bij de luchtaanvallen op Joegoslavië. Maar het oude conflict over het delen van de verantwoordelijkheden laaide op toen de Verenigde Staten aanvankelijk weigerden grondtroepen in te zetten bij de vredesoperatie in Kosovo. Toen we eindelijk besloten mee te doen, vlak voor de luchtaanvallen, eisten we de sector op die, dachten wij, de gemakkelijkste zou zijn. Toen in juni 1999 het moment aanbrak van de inzet van grondtroepen, kwamen wij maar langzaam op gang. Eenmaal begonnen, droegen we grote verantwoordelijkheid maar klaagden luidkeels over wat er van ons werd gevraagd.

Dientengevolge discussiëren we nu over de juiste handelwijze bij eventuele toekomstige brandhaarden waar de Europeanen hun troepen naartoe zullen sturen – maar waar wij niet bij aanwezig zullen zijn. In het beste geval zullen de Europeanen voor het bevel over en de voorbereiding van de missies van een zuiver Europese strijdmacht de onderbevelhebber, de planners en de benodigde staf onttrekken aan de NAVO-commandoketen die onder bevel staat van de Amerikaanse opperbevelhebber van de geallieerde troepen in Europa. Maar willen we wel een potentieel gespleten NAVO-hoofdkwartier? Zullen de Verenigde Staten blijven meedoen als het gezag van de Amerikaanse opperbevelhebber altijd ter discussie staat?

En in het slechtste geval zullen de Europeanen een nieuw hoofdkwartier oprichten met extra planners en stafleden die eigenlijk overbodig zijn en met die van de NAVO concurreren. Dat zijn de twee onprettige alternatieven. Toch gaat de discussie in wezen niet over abstracte militaire vormen en functies, maar over Amerika's inzet voor Europa en wat wij in ruil daarvoor verwachten.

We moeten koste wat kost een verdubbeling van de NAVO-planning voorkomen. Maar het belangrijkste is dat we misvattingen over veranderde belangen aan beide kanten van de oceaan vermijden. Zowel Europa als de Verenigde Staten hebben behoefte aan een sterke transatlantische relatie, gedefinieerd als `gezamenlijke risico's, gezamenlijke verantwoordelijkheden en gezamenlijk voordeel'. We moeten de Europeanen ervan doordringen dat we onze verantwoordelijkheden als Europese macht accepteren. We moeten duidelijk verklaren dat we met de NAVO aanwezig zullen zijn als in Europa de veiligheid wordt bedreigd. En de Europeanen moeten met woorden en daden laten zien dat de NAVO het belangrijkste instrument voor veiligheid en verdediging is. De NAVO is nog geen `fossiel'. De tijd dringt, maar het is nog niet te laat.

Wesley K. Clark is generaal b.d. en was opperbevelhebber van de NAVO tijdens de crisis in Kosovo.

©LAT-WP Newsservice