Cohen manoeuvreert handig maar graaft niet diep

Het kippenhok Amsterdam mag blij met zijn met Cohen. De hoofdstad krijgt een pragmatische burgemeester, met gevoel voor realiteit en een vaderlijke uitstraling. `Het is verdomd moeilijk om onder zijn leiding ruzie te maken'.

Minister Korthals zag twee maanden geleden de bui al hangen. ,,Weet wel dat de heer Cohen in Amsterdam slechts een pied à terre heeft. Als het aan mij ligt, blijft dat zo'', zei hij tijdens een toespraak voor de Nederlandse Orde van Advocaten.

Inmiddels is zeker dat Job Cohen binnenkort de huur van zijn studiootje naast het PvdA-partijbureau aan de Herengracht opzegt, zijn Haagse bureau grondig opruimt en zijn intrek neemt in de ambtswoning, een eind verderop aan het water in Amsterdam. Dat maakt het hem bovendien mogelijk thuis te zijn bij zijn chronisch zieke vrouw die tot dusverre moest achterblijven in Maastricht. Zijn zoon studeert al in Amsterdam en zijn dochter kan in Maastricht nog net haar middelbare school afmaken.

Tot groot leedwezen van Korthals valt het Justitie-duo `Kor en Co' dus tussentijds uiteen. Twee jaar lang leverden ze hét bewijs voor de stelling dat liberalen en sociaal-democraten degelijk en harmonieus kunnen samenwerken. Elke ochtend namen ze broederlijk het nieuws van die dag door. De stap van Cohen luidt de totale verbrokkeling van Paars II in, beweerde fractieleider Rosenmöller van GroenLinks vorige week nog: ,,Apotheker ging, Peper moest, Pronk wilde, Borst dreigde en Cohen gaat.''

Cohens vertrek valt niet alleen Korthals zwaar – een naaste medewerker: ,,In het kabinet gaat Benk voor Job door roeien en ruiten'' – maar het héle kabinet, de Tweede Kamer én de senaat. VVD-fractievoorzitter Dijkstal liet vorige maand nog weten weinig liever te willen dan Cohen op zijn huidige post te houden, wat eigenaardig genoeg weer helemaal fout viel bij zijn partijgenoten in de Amsterdamse gemeenteraad. Ook diens D66-collega De Graaf zag bezwaren, maar wilde over de zaak ,,geen amok maken''.

Cohen moet wel gewend zijn mensen met lede ogen achter te laten, telkens als hij ergens vertrekt. Toen hij Maastricht twee jaar geleden verliet, waar hij in 1981 de rechtenfaculteit opzette en later hoogleraar en rector magnificus werd, leken de hagiografieën niet meer te kunnen verbleken. Zijn Maastrichtse voormalige collega, prof.dr. H. Crombag, kent hem al dertig jaar en zegt: ,,Mijn oordeel is bedorven want hij is een vriend van mij. Maar in alle oprechtheid lijkt hij mij een goede burgemeester. Amsterdam is een kippenhok met allerlei verschillend denkende wethouders en een nogal opgewonden gemeenteraad. Daar past hij goed, want het is verdomd moeilijk om onder leiding van Cohen ruzie te maken. In Maastricht vroegen ze bij zijn vertrek: wat heeft-ie nou eigenlijk klaar gemaakt? Nou precies dat. Niks spectaculairs. Hij heeft het mogelijk gemaakt dat ze allemaal het werk konden doen waarvoor ze waren aangetrokken.''

In de zomer van 1993 werd Cohen voor ruim een jaar naar het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen gehaald, om plaats te nemen op de stoel van de inderhaast vertrokken staatssecretaris In 't Veld, die van `bijklussen' werd beticht. Dat hem na die invalbeurt een mooie politieke carrière beschoren was stond toen al vast. Met twee scholieren thuis in Maastricht wilde hij echter niet voortdurend in Den Haag zijn. Hij hield wel een lijntje open naar de macht door Eerste-Kamerlid te worden in 1995, een jaar later als fractieleider in de senaat.

Bij de formatie in 1998 waren de kinderen groot. Cohen leek in het tweede kabinet Kok te kunnen kiezen wat hij wilde, maar kreeg uiteindelijk de `hoofdpijnportefeuille vreemdelingenbeleid' toegebedeeld, zo genoemd door zijn voorgangster Elisabeth Schmitz. Hoe het kon gebeuren dat er bij een formatie zo werd omgesprongen met een `belofte' als Cohen? Bij de fractie van de PvdA in de Tweede Kamer wordt verwezen naar Melkert en Kok, die samen de personele bezetting van de PvdA-posten hebben bedisseld. Elske ter Veld, Cohens fractiegenote in de Eerste Kamer van toen, heeft er een even paradoxale als plausibele verklaring voor. ,,De portefeuille van het vreemdelingenbeleid gun je je ergste vijand niet, maar tegelijkertijd ligt het allemaal zo precair dat je dat alleen toevertrouwt aan iemand van wie je volstrekt zeker bent.'' Het is Cohens voorgangers de één na de ander in politieke zin slecht vergaan. En ook hij leek het er in het najaar van 1998 rampzalig vanaf te gaan brengen, toen televisie-kijkend Nederland met asielzoekers in lekkende tenten werd geconfronteerd. Maar in de loop van zijn korte bewindsperiode heeft de staatssecretaris zich als rustig, doorwrocht en oprecht gepresenteerd.

Wie Cohen graag naar Amsterdam ziet gaan, is in elk geval Cohen zelf. Hij houdt erg van de hoofdstad. Het gerucht dat hij Schelto Patijn zou opvolgen gaat al lang. Opmerkelijk genoeg heeft hij nooit een poging gewaagd om die bewering de kop in te drukken.

Een ander die Cohen graag naar Amsterdam ziet gaan, is mogelijk PvdA-fractievoorzitter Melkert. In de top van de PvdA wemelt het niet bepaald van de talenten die in de voetsporen van Kok (62) kunnen treden. Er wordt binnen die partij eigenlijk met slechts twee kroonprinsen gerekend, op wie elk wat valt af te dingen. Enerzijds is er de begenadigde debater en meesterrekenaar Melkert, die veel bagage heeft als het om sociaal-economische problemen gaat. ,,Maar die'', zo zegt een anonieme fractiegenoot, ,,qua charisma het midden houdt tussen een drogist en een begrafenisondernemer.'' Dat is dus geen politicus die in verkiezingstijd de zaal als één man overeind zal krijgen.

De boomlange Cohen daarentegen straalt een zekere vaderlijkheid uit, waarbij de kiezer zich veilig zou kunnen voelen. Maar hij wil tot nu toe niet. Anders dan Melkert is inflatie of financieringstekort niet zijn favoriete onderwerp, terwijl een gedegen kennis daaromtrent wel noodzakelijk is voor een fractieleider of een premier. Daarbij komt dat partijpolitiek hem niet ligt.

Toch werd hij op zijn achttiende al lid van de partij en sloot zich daarmee aan bij de politieke keuze van zijn ouders. Zijn moeder was gemeenteraadslid. Een zekere neutraliteit valt niettemin te verklaren uit zijn opvoeding. Job en zijn één jaar oudere broer Floris groeiden op in een sterk intellectueel milieu. Vader Cohen is historicus en was adjunct-directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie onder Lou de Jong en werd later hoogleraar in Leiden. Er werd aan tafel eindeloos gesproken over de actualiteit, gekaderd in een sterk historisch besef, waarbij vader Cohen een vooral objectieve houding uitstraalde, die hij aan zijn wetenschappelijke stand verplicht was.

Maar partijpolitieke ambitie kan nog komen. Als onder de huidige premier nog een Paars III wordt geformeerd, dat de rit ook nog uitzit, is het precies zes jaar verder, het moment dat Cohens herbenoeming aan de orde is. In dat geval beschikt Kok in principe weer over twee potentiële opvolgers, één die dolgraag wil, de ander `ondanks zichzelf'.

Toch is de vraag alleszins gewettigd of de `partijtijger' in Cohen zich ooit zal oprichten. Hij is een rasbestuurder die boven alles graag resultaat boekt en hoogst verbaasd is als de wijze waarop dat wordt bereikt op kritiek stuit. De belangrijkste opdracht die hij in zijn hoofdpijnportefeuille aantrof was de totstandkoming van een nieuwe Vreemdelingenwet. Cohen bewandelde daarbij een onorthodoxe weg, door een duur organisatiebureau in te schakelen, dat discussiebijeenkomsten belegde voor ambtenaren, advocaten, rechterlijke macht en verenigingen voor vluchtelingen.

Er werd een soort consensus bereikt, die tot een wetsontwerp leidde. Vervolgens verdween het ontwerp in een reeks `achterkamertjes' aan het Binnenhof, waar de coalitiefracties zich geconcentreerd over elke punt en komma bogen. Bedoeling van die langdurige onderonsjes was om met name woordvoerder Kamp (VVD), die geen gelegenheid voorbij laat gaan om er op te wijzen dat Nederland veel te populair is voor `asiel- en gelukszoekers', voor de wet te winnen.

Mogelijk strookte Cohens aanpak niet met de regels van de dualistische parlementaire democratie, effectief was zij wel, want de wet passeerde zowel Tweede als Eerste Kamer zonder noemenswaardig lawaai. Gegeven zijn resultaatgerichte werkwijze was Cohen zelf nogal verbaasd over het verwijt van achterkamertjespolitiek. Hij schaamt zich niet in de verste verte voor de wijze waarop hij zijn belangrijkste klus heeft geklaard. Het kon volgens hem niet anders.

Hoewel er bij het democratisch gehalte van zijn tactiek dus vraagtekens werden geplaatst door GroenLinks, SP en de kleine christelijke fracties is Cohen een toegewijd en geoefend luisteraar, zo blijkt elke keer tijdens debatten in de Kamer. Hij strekt de benen, legt zijn hoofd in de linkerhandpalm en zuigt de argumenten in zich op, weegt ze en neemt een standpunt in. Dat is eerder een managerskwaliteit dan een kenmerk van ideologisch-politieke gedrevenheid of diep verankerde, nobele principes. Hij is bepaald geen Troelstra, geen man die zijn standpunten vol overtuiging vanaf de barricade verkondigt. Evenmin is hij een stukkenvreter. Cohen is een pragmaticus die krachten weet te inventariseren en aan te sturen. Hij geeft toe niet al te `diep te graven' omdat hij er van overtuigd is ,,dat er op de bodem niks te vinden is.'' Volgens Crombach kan het in Amsterdam geen kwaad om praktisch en geduldig te opereren: ,,Ik liep een poos geleden over de Gelderse Kade, en moest meteen aan Job denken. My God, dacht ik, does he have a problem.''

Als student in Groningen - hij wilde niet in Leiden studeren waar zijn broer Floris zich verdiepte in de historie van de natuurwetenschap en zijn vader hoogleraar geschiedenis was - trad hij toe als lid van de faculteitsraad. Hij stond toen al bekend als iemand met gematigde politieke opvattingen, die consensus zocht en het liefst partijen tot elkaar bracht. `Conflictneutraliserend', zoals Ter Veld dat noemt. Daarmee lijkt hij wel eens een gevoelloze sfinx. Maar hij was niet onbewogen toen de `witte illegalen' zich in een kerk hadden teruggetrokken. ,,Uitzetten is heel moeilijk, zwaarder dan ik dacht'', liet hij de Volkskrant kort na zijn aantreden al weten.

Cohen valt niet enkel respect ten deel. GroenLinks hekelde de inhoud van de nieuwe Vreemdelingenwet, VVD-woordvoerder Kamp haalt er zijn schouders lichtelijk over op. ,,Ik vindt Cohen een prettige persoonlijkheid en een capabel en integer bestuurder, maar als we allemaal naar zijn voorbeeld zouden handelen werd het hier wel een zootje. Eerst gaat hij voor een jaar naar Onderwijs – en wil dan niet terugkomen. Nu weer gaat hij na twee jaar weg bij Justitie. Dat past niet erg bij de continuïteit van de Nederlandse bestuurscultuur. Bovendien heeft hij die Vreemdelingenwet weliswaar knap door het parlement geloodst, op het gebied van het vreemdelingenbeleid heeft hij helemaal niets gepresteerd. Laten we wel wezen: toen hij aantrad zaten hier 40.000 asielzoekers in de opvang. Nu 80.000.''

Staatssecretaris Cohen gaat niet slechts de geschiedenis in als bewindsman voor vreemdelingenbeleid. Hij loodste in september nog het homohuwelijk door de Kamer, waarbij hij bedachtzaam manoeuvreerde tijdens beraadslagingen die hij zelf typeerde als een debat dat zeldzaam grote tegenstellingen in de samenleving oproept. Een andere opdracht was de reorganisatie van de rechterlijke macht. Grosso modo is die in Nederland sinds 1827 niet veranderd. Cohen kwam de afgelopen zomer met twee wetswijzigingen: ,,Het lijkt me nogal simpel, het kan beter.''

Opnieuw won de ratio het van de emotie. Cohen: ,,Ik doe het zoals ik ben.''