Ayodhia blijft splijtzwam tussen hindoes en moslims

In 1992 braken hindoes een moskee af in Ayodhia. De onrust die dat veroorzaakte in India, is weer opgelaaid.

Begin over de kwestie van de `Ram Mandir' in Ayodhia en zelfs de gemoederen onder de vriendelijkste hindoes raken verhit. De verkoper van betelblad en biri, een dungedraaid tabaksblad, op de markt van Karol Bagh in New Delhi: hij gaat zelden stemmen, omdat ,,geen enkele partij is te vertrouwen''. Maar hij is het volstrekt eens met premier Vajpayee, dat op de plek waar de God Rama is geboren een tempel moet verrijzen. Omstanders vallen hem bij: daar had nooit een moskee mogen staan en de hindoes hadden groot gelijk toen ze die acht jaar geleden met de grond gelijk maakten, al heeft dat indertijd geleid tot rellen in het hele land met naar schatting 3.000 doden.

De zaak is weer actueel geworden nu drie ministers uit de regering-Vajpayee, onder wie de machtige L.K.Advani van Binnenlandse Zaken, officieel zijn aangeklaagd wegens hun betrokkenheid bij de gebeurtenis in 1992. Volgens ooggetuigen hadden zij de menigte aangevuurd om de moskee af te breken, wat door Vajpayee in het parlement is ontkend: ze hadden de menigte juist willen kalmeren.

Maar Vajpayee ging verder dan het verdedigen van zijn kabinetsleden. Tot ieders verbazing zei hij afgelopen vrijdag in het parlement, dat de bouw van de hindoetempel moet worden gezien als ,,de vervulling van een nationaal sentiment''.

De bouw is illegaal, zolang justitie zich nog buigt over de afbraak van de moskee. Bovendien heeft Vajpayee zich altijd opgesteld als een man van het midden, die de moslims en hindoes met elkaar probeerde te verzoenen. Hij heeft een moslim opgenomen in zijn kabinet, hij heeft voorzichtig afstand gehouden van de fundamentalistische groeperingen binnen zijn BJP-partij en hij heeft zelfs een eenzijdig staakt-het-vuren tegen de moslimrebellen in Kashmir afgekondigd tijdens Ramadan.

Maar ,,het masker is gevallen'', zoals een briefschrijver het formuleerde in een krant. Vajpayee zou zijn ware gezicht hebben laten zien, nadat de oppositie onder leiding van de Congres-partij een motie van afkeuring indiende tegen de drie aangeklaagde ministers. Gewoonlijk is het de premier die de partijen sust, terwijl minister Advani de standpunten van de hindoe-nationalisten verwoordt. Nu was het juist Advani die het parlement opriep de pijnlijke gebeurtenissen van acht jaar geleden te laten rusten, omdat het de moslims geen goed doet.

Is dit het einde van Vajpayee's wittebroodsweken, vragen sommigen zich af. Is het delicate balanceren sinds het aantreden van dit kabinet een jaar geleden afgelopen en gaat India een turbulente tijd tegemoet? Of heeft het alleen te maken met de komende verkiezingen in Uttarpradesh, waar een belangrijk deel van de hindoes zich zal uitspreken over de huidige deelstaatregering? Misschien is er een economische oorzaak: Vajpayee moet de aandacht afleiden van het feit dat door zijn liberale beleid India wordt overspoeld met buitenlandse producten, waardoor kleine boeren en zelfstandigen massaal in problemen raken.

Voorlopig is de crisis afgewend. De motie van de oppositie werd verworpen met 291 tegen 179 stemmen. De vraag is hoe het verder moet. Velen zagen premier Vajpayee als `de juiste man in de verkeerde partij'. Zal hij doorgaan als `de verkeerde man', of zal hij de rust onder de biri-verkopers weten te herstellen? Dubbelzinnigheid over de gebeurtenis in Ayodhia zal niet helpen. Die houding is: we zijn er trots op, maar we willen er niet aan worden herinnerd.