Verspilde vette jaren

Vier vette jaren voor de Nederlandse economie zijn voorbij. In 1997, 1998, 1999 en 2000 groeide de economie steeds met vier procent, zodat we nu per Nederlander 15 procent meer produceren dan in 1996. Dat is heel mooi en betekent dat we ook 15 procent meer financiële slagkracht hebben. Wat mogen we dan verwachten? De ministers hoeven ons niet 15 procent gelukkiger te maken, maar ze zouden wel hun best kunnen doen voor een 15 procent comfortabeler leven. Mooiere scholen, luxere ziekenhuizen, beter betaalde verpleegsters, minder armoede, meer mooie natuur, orkestmusici die hetzelfde verdienen als in München en Wenen; vul het maar in. Maar wat is de realiteit? Behalve premier Kok heeft iedereen het gevoel dat het serviceniveau van onze gemeenschappelijke voorzieningen eerder slechter is dan beter.

Minister Zalm van Financiën heeft een dubbel antwoord: we hebben dan toch maar mooi de druk van de staatsschuld teruggebracht en we moeten toch vasthouden aan stevige financiële afspraken voor de uitgaven van de ministeries. Die slinkende staatsschuld komt vooral omdat de PvdA doodsbang is om van De Telegraaf en Elsevier het verwijt te krijgen van geldsmijterij, gat-in-de-hand en niets-geleerd-sinds-Den-Uyl. Premier Kok heeft altijd een heel positieve beoordeling gehad in de conservatieve pers, en die wil hij nog niet op het spel zetten door royaal te worden met geld voor scholen en ziekenhuizen. In het parlement hield de premier zelfs vol dat de gezondheidszorg anno 2000 beter is dan ooit tevoren (een voorbeeld van autisme dat hem terecht een bittere column opleverde van oud-PvdA-voorzitter Rottenberg in Het Parool).

Toch blijft er natuurlijk een afweging tussen nóg een miljard voor het aflossen van oude schulden uit de tijd van Den Uyl, Van Agt en Lubbers of een miljard voor scholen, thuiszorg of armoedebestrijding. Dat brengt ons terug bij minister Zalm die nu zes jaar beroemd is wegens een verzameling precieze afspraken voor de uitgaven van de ministeries. Op zich is dat wel goed en beter dan een regel voor het tekort. Al vanaf 1982 heb ik geschreven dat bedrijven moeten sturen op de winst (het verschil tussen omzet en kosten), maar regeringen niet net zo voor tekort of surplus (het verschil tussen belastinggeld en uitgaven). Minister Ruding deed dat wel – hij kwam ook van de AMRO Bank – maar het werkte uiteindelijk niet goed. Bedrijven kunnen veel makkelijker in de loop van het jaar de verkoop aanpassen, een nieuw product lanceren of de kosten drukken wanneer dat voor de winst nodig is, maar de overheid verzamelt de belasting niet per business unit (ministerie) en moet dus op het niveau van kabinet en Tweede Kamer de afweging maken. Maar er zijn wijze regels en dwaze regels. In de gezondheidszorg, bijvoorbeeld, wist een ambtenaar bij het Centraal Planbureau in 1998 hoeveel operaties voor staar nodig zouden zijn in 2002 en hoeveel ok-verpleegsters parttime wilden werken in 2000. Niet, dus. Moeten we dan wachten tot zulke ambtenaren minder arrogant worden of totdat in 2002 nieuwe ambtenaren het nog een keer proberen voor de volgende vier jaar?

Nederland is nu echt rijk genoeg om te plannen op prestaties en pas daarna – en daaruit afgeleid – te rekenen met euro's. Prestaties kunnen we vier jaar van tevoren wel aangeven, benodigde euro's kennelijk niet. Het parlement moet beslissen: voor elk kind een leraar; voor elke patiënt een bed. Pas als blijkt dat de normen voor prestaties zo hoog zijn gesteld dat de inkomsten uit belasting dat niet kunnen trekken, wordt het tijd voor een tussentijds debat met de minister van Financiën.

Het eerste logische gevolg van plannen voor prestaties is dat gelijke beloftes voor zorg, onderwijs en veiligheid aan Amsterdam, Assen en Aduard betekenen dat de salarissen gaan verschillen. Alleen al het wonen is in Amsterdam drie keer duurder dan in Groningen volgens de Nederlandse Vereniging van Makelaars. Daar moeten ministers nu snel over nadenken, in plaats van krokodillentranen te huilen over het tekort aan loonmatiging. Worden de salarissen volgend jaar niet flexibeler, dan kan straks geen verpleegster of leraar zich nog permitteren om dicht bij het werk in Amsterdam te gaan wonen. Het is daarom een schande dat in thuiszorg, onderwijs en ziekenhuis de regering nog steeds vasthoudt aan een landelijke CAO. Zulke strakke planning betekent óf een nog lagere kwaliteit, vooral in steden waar het wonen zo duur is geworden, óf een landelijke loonexplosie. Vooral wegens de extreme problemen in de huizenmarkt in West-Nederland is het vrijlaten van verschillen in salaris tussen regio's nu de test of onze regering serieus is. Komt er nooit meer een landelijke CAO voor politie, onderwijs en zorg, maar schakelen we over op vrijheid voor managers in al zulke sectoren om in hun regio de geëiste prestaties te leveren? Of durft de regering dat niet en gaat men door met in Den Haag te plannen en te onderhandelen voor het hele land? Dan wil straks geen manager nog werken voor zo'n rigide overheid, en worstelen dure steden als Amsterdam en Utrecht straks met onvervulbare vacatures en een steeds corrupter woningmarkt. Eergisteren pleitte PvdA-leider Melkert in NRC Handelsblad voor `prestatiecontracten'. De redacteur moet hem even opbellen voor een aanvullende vraag: ,,Is dat het eind van landelijke loonschalen bij de overheid, of mogen scholen en ziekenhuizen dan betalen wat nodig is voor die prestaties? Betekenen hardnekkige vacatures nu dat we betere planners nodig hebben in Den Haag of flexibelere werkcondities in het veld?'' Veel hangt af van het antwoord, ook voor Melkerts eigen ambities; als hij niet vrij komt van conservatieve vakbonden, centrale planners en fantasieloze ministers, geloven straks nog minder mensen dat zijn PvdA geeft om de Kwaliteit van het Bestaan.