Vage grenzen aan de bebouwing

Het is het magnum opus van minister Pronk in deze kabinetsperiode. Maar in de Vijfde Nota over de ruimtelijke ordening worden echte keuzes uit de weg gegaan. Lokale bestuurders mogende de komende jaren `rode contouren' van bebouwing trekken.

Minister Pronk (Ruimtelijke Ordening) staat bekend als een man die grote moeite heeft met het delegeren van taken. Liever houdt hij zelf de teugels in handen. Het was dan ook een ongewoon spektakel om de minister gisteren uitgerekend bij de presentatie van de hoofdlijnen van de Vijfde Nota over de ruimtelijke ordening, zijn magnum opus van deze kabinetsperiode, de lof te horen zingen van decentralisatie.

Het rijk, zo oreerde Pronk na de ministerraad, heeft geen boodschap aan het vaststellen van exacte grenzen van de bebouwing. Dat kunnen gemeenten veel beter zelf doen in overleg met de provincies. ,,Ik ben tegen gedetailleerde Haagse bureaucratische regelgeving'', zei hij. ,,Je moet decentraliseren waar het kan.''

Het is op zichzelf een modern geluid. De impliciete gedachte erachter is dat niemand de belangen van de lokale gemeenschap beter kan dienen dan de vertegenwoordigers daarvan zelf. Het is echter de vraag of deze filosofie in dit bepaalde geval wel zo effectief zal zijn.

Pronk zal zelf de eerste zijn om toe te geven dat er zich de afgelopen jaren in Leidschendam, Woerden, Bunnik en veel andere plaatsen een in ruimtelijk opzicht onwenselijke (wild)groei van bedrijventerreinen langs de snelwegen heeft voorgedaan. ,,Dat is mij als minister van Ruimtelijke Ordening een doorn in het oog'', zei hij bijna twee jaar geleden tegen deze krant. Die groei was nu echter juist mede te wijten aan ambitieuze wethouders, die zich meer bekommerden om extra werkgelegenheid en inkomsten dan om mooie landschappen en vergezichten. Ook de provincies spanden zich meestal niet bijzonder in om zulke gemeenten in het gareel te houden.

Desondanks willen Pronk en het kabinet diezelfde lokale en regionale bestuurders nu de komende jaren nog beduidend meer vrijheid geven dan tot nu toe om te bepalen waar ze wel en waar ze niet mogen bouwen. Weliswaar heeft het kabinet enkele algemene richtlijnen opgesteld, waaraan gemeentelijke uitbreidingsplannen moeten voldoen, maar de regie bij de ruimtelijke ordening zal niet langer vanuit Den Haag worden gevoerd maar vanuit gemeente- en provinciehuizen.

Pas over ruim vier jaar hoeven alle steden en dorpen in Nederland te hebben aangegeven waar ze de grens leggen voor hun bebouwing. Die `rode contour' moet vervolgens tot 2015 gelden, hoewel het in bijzondere gevallen mogelijk blijft ook buiten die grens nieuwe bouwactiviteiten te ontplooien. Naast waardevolle groene gebieden, waar zeker niet meer mag worden gebouwd, zijn er de talrijke tussengebieden, die een ongewisse status genieten.

,,Ik voorzie dat de gemeenten tot 2005 hun best zullen doen die rode contour zo ruim mogelijk te trekken'', stelde een teleurgestelde A. den Biggelaar, directeur van de Stichting Natuur en Milieu. Die rode contour had volgens Den Biggelaar veel strakker moeten zijn. Ook had hij liever gezien dat er een verplichte groene zone om de steden was voorgeschreven. ,,Die had als een slot op zo'n stad kunnen functioneren.''

,,De nota is een optelsom van tegenstrijdige wensen en ambities'', meent W. Duyvendak van Milieudefensie. ,,Gevolg is dat we blijven doormodderen met de ruimtelijke ordening. De ervaring van de laatste decennia laat zien dat het open groene landschap hiervan als eerste de dupe wordt.''

Ook een meerderheid in de Tweede Kamer toonde zich gisteravond ontsteld over de plannen van het kabinet. PvdA, D66, GroenLinks, ChristenUnie en SP vinden dat Den Haag zelf meer greep moet houden op nieuwe plannen voor bebouwing en infrastructuurprojecten. De resterende open gebieden van het land komen anders te veel in het gedrang, zo vrezen ze.

De vraag is ook hoe oprecht het enthousiasme van Pronk voor deze aanpak is. Kringen rond het kabinet bevestigen dat de bewindsman in eerste instantie zelf mikte op een aanmerkelijk sterkere greep van het rijk op het proces van de ruimtelijke ordening. Pronk verloor echter volgens deze bronnen de slag in het kabinet hierover met de ministers Jorritsma (Economische Zaken) en Netelenbos (Verkeer en Waterstaat) terwijl hij ook geen steun kreeg van premier Kok.

Het grote werkstuk van Pronk, waar hij de afgelopen paar jaar met zoveel maatschappelijke organisaties en zelfs individuele burgers over sprak, is zo al met al niet veel meer geworden dan een bescheiden lijstje van criteria waaraan de gemeenten en de provincies hun plannen moeten toetsen. Het gaat daarbij om richtlijnen als: gebruik de ruimte intensief, liefst voor meerdere doeleinden tegelijk. Van steden wordt voorts verwacht dat ze hun beleid goed op elkaar afstemmen, zodat overlappingen worden vermeden en er netwerksteden ontstaan die bepaalde functies met elkaar delen. De criteria zijn echter zo algemeen, dat gemeenten en provincies veel speelruimte houden.

Na de presentatie van de hoofdlijnen van de Vijfde Nota (de uitgewerkte versie volgt pas in de loop van volgende maand) dringt zich dan ook de conclusie op dat de echte beslissingen over de verdeling van de ruimte in Nederland nog niet zijn gevallen. Die worden pas genomen door individuele gemeenten in samenspraak met de provincie. Tenzij de Tweede Kamer daar nog een stokje voor steekt.