Sinterklaas tussen koeien

Kader genoeg, in Kenia. De dierenartsen zijn er goed opgeleid. Dat heeft Dierenartsen zonder Grenzen niet weerhouden Nederlanders uit te zenden. `Ze zijn minder corrupt.'

Femke heeft de pest in. In de koelte van de avond hangt ze lamlendig in een bar van Lodwar. Vandaag was opnieuw een rotdag vol vergaderingen. De Nederlandse Femke werkt voor de organisatie Dierenartsen zonder Grenzen in het noordwestelijke district Turkana. In deze droge uithoek van Kenia leiden de trotse Turkana- en Pokotvolkeren een marginaal bestaan. Hun enige bezit: vee. ,,Ik ben dierendokter en hier nu al een jaar. Maar een beest raakte ik nog niet aan. Ik zit maar te vergaderen'', verzucht ze. En dan: ,,Tja, eigenlijk ben ik hier voornamelijk omdat alleen een blanke buitenlander als hoofd van het project met het geld wordt vertrouwd.''

Een lastig dilemma. Kenia kent uitstekend opgeleide dierenartsen. Maar het valt de doorgaans gastvrije Afrikanen zwaar om tegen een goedwillende blanke ontwikkelingswerker te zeggen: donder op, we kunnen het zelf wel. Een paar stoffige straten verderop heeft de Keniaanse dierenarts Paul Mutungi zijn kantoor. Zijn ontwikkelingsorganisatie heeft niet, zoals Dierenartsen zonder Grenzen, blanke dierendokters in dienst.

Eerst komt het politiek correcte antwoord op de vraag of buitenlanders noodzakelijk zijn. ,,Wij leiden die jonge blanken rond, waarna ze zich binnen één jaar expert van het gebied noemen en ons vervolgens in hun schaduw zetten. Nee, geen enkele behoefte aan blanke experts.'' Hij fronst zijn wenkbrauwen, waarna de bedenkingen volgen. ,,Blanken zijn beter in het leiding geven, we kunnen ze daar goed voor gebruiken.'' Wat bedoelt hij daarmee? ,,Ze zijn minder corrupt.''

Mutungi weet er alles van. Vroeger werkte hij voor de regering. De veterinaire overheidsvoorzieningen in Turkana en Pokot stortten in, mede door corruptie. ,,Wij overheidsdienaren waren meesters in het belazeren'', vertelt hij. ,,Als vertegenwoordigers van de Westerse donoren kwamen kijken wat er met hun geld gebeurde, wisten we precies wat we ze wel en niet moesten laten zien. Zo hielden we hen tevreden. Ze bleven geld geven, en daarvan profiteerden wij ambtenaren weer.''

Kenianen worden ieder jaar armer, de ontwikkelingshulp ten spijt. Door wanbeleid en economische crisis degradeerde het eens effectieve staatsapparaat tot een groep incompetente boeven. Mede daarom zette minister Herfkens vlak na haar aantreden de rechtstreekse hulp aan Kenia vrijwel helemaal stop. Niemand met zelfrespect in Kenia treedt toe tot het ambtenarenapparaat. Het land beschikt inmiddels over talrijke goed opgeleide en briljante Kenianen, maar zij verkiezen vrijwel allen de particuliere sector.

Tot begin jaren negentig verleende de overheid veterinaire diensten aan de nomaden. De economie raakte tien jaar geleden in een neerwaartse spiraal, waardoor de regering geen geld meer over had voor dierenartsen. ,,We gaven nog wel eens natuurmedicijnen aan ons vee'', zegt de Pokot-nomade Namorosia Lokoywa, ,,maar voor veel ziektes helpen die niet. Dan aten we de zieke beesten razendsnel op en baden tot God om ons niet al het vee af te nemen.''

Het overheidsproject was uiterst paternalistisch. Dierenartsen zetelden in Lodwar en kwamen alleen als er epidemieën uitbraken. Toen ze helemaal wegbleven uit de kralen opperden de nomaden het idee om met overheidsgelden zelf de veterinaire zorg te regelen. Maar de regering had geen geld meer, waarna de ontwikkelingsorganisaties bijsprongen. ,,Met een fractie van het geld van vroeger doen we beter werk'', concludeert Mutungi. Eerst betaald door de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE) en nu door het Nederlandse SNV, verstrekt de organisatie van Mutungi de middelen aan de nomaden zelf. Veldwerkers trekken naar de kralen, verkopen aan de nomaden medicijnen en geven iemand van de gemeenschap een rudimentaire cursus diergeneeskunde.

Iedereen van het gehucht Nayopong in het Pokot-gebied loopt uit als er een auto komt aanhobbelen. Alima veegt de tabaksfluim weg die langs het sieraad in zijn onderlip sijpelt. De komst van een blanke én een auto doet hem ontwaken uit zijn herderspose. Hij bezit de meeste koeien in de wijde omgeving. ,,Meneer, al mijn vee is dood. U moet me helpen.'' De begeleider van het veterinaire project intervenieert onmiddellijk. ,,Belazer de boel niet, hij is sinterklaas niet.'' De Pokot kennen sinterklaas vermoedelijk niet, maar de boodschap is duidelijk: niet alle blanken zijn goedgevig.

De Afrikaanse ontwikkelingswerker Lokwado werkt voor het project in de omgeving van Nayopong. Hij ondervond dat ontwikkeling alleen kan worden gedaan door de mensen zelf. ,,Door onze eigen inspanning, door ons project bereikten de medicijnen nu alle hoeken van Pokot- en Turkanagebied'', meldt hij trots. ,,Ik volg de nomaden en ga zelfs met mijn medicijnenkistje naar Oeganda als ze daar naar toe uitweken.'' Lokwado zegt er nadeel van te ondervinden dat hij nog steeds wordt gezien als ontwikkelingswerker. ,,Daarom willen ze de medicijnen gratis. Ze behandelen me niet als gerespecteerde oude, maar zien me als ontwikkelingswerker die kan worden uitgemolken.''

Bij het vertrek probeert Alima het nogmaals. Hij begint hard met zijn stok op de grond te stampen. ,,Meneer, toen jullie hier nog het koloniale bestuur uitoefenden, ging alles beter. Jullie zorgden voor veiligheid en voor onze beesten. Kom terug om ons te helpen.'' De fictie van het altijd betere verleden is er bij hem niet uit te rammen. Het afhankelijkheidssyndroom. Of is dit een routineuze reactie van zeer trotse maar opportunistische nomaden op de komst van een blanke weldoener?

Na een gesprek met een minister van Somaliland over de behoeften van zijn land, zei deze doodserieus: ,,En dan sturen de Verenigde Naties ons eindelijk ontwikkelingswerkers en blijken het Afrikanen te zijn! Wat hebben we daar nu aan? Begrijpt u wat ik bedoel, de wereld neemt ons niet serieus.'' De blanke symboliseert in Afrika nog veelal geld. Hij brengt de fondsen binnen en tot voor kort domineerde hij de ontwikkelingsagenda. Híj wist wat goed was voor het continent, hij wist hoe het ontwikkeld moest worden. De weldoener van de twintigste eeuw had het weliswaar niet altijd bij het rechte eind. De Russen leverden twintig jaar geleden sneeuwruimers aan Somalië en kwamen er te laat achter dat in deze woestijn geen sneeuw valt. De Noren bouwden een peperdure visfabriek in Turkana en toen het project eenmaal ging draaien bleken de elektriciteitskosten om de vis te koelen hoger dan de winst die er te maken viel. En de Nederlanders bouwden begin jaren tachtig aan de kust een melkfabriek, tot ze zich realiseerden dat er in de wijde omgeving geen koeien rondliepen. Stommiteiten natuurlijk, maar ze brachten voor het ontvangende land wel harde valuta binnen.

De buitenlandse ontwikkelingswerkers voelen zich ongemakkelijk bij de verraderlijke lofbetuigingen die hun soms ten deel vallen. ,,Het is jammer, want het gaat tegen de heersende ideeën over ontwikkelingssamenwerking in'', klaagt een van hen. Blanken zouden in een leidende functie minder gevoelig zijn voor de sociale druk. Vrij vertaald: ze stelen minder snel. ,,Onzin'', kaatst een Westerse diplomaat terug. ,,Geef de Keniaan de helft van het salaris van een blanke buitenstaander en je zal zien dat hij direct een stuk minder corrupt wordt.''

Mutungi in Lodwar brengt nog een ander argument te berde. ,,Toch heb ik liever een blanke die leiding geeft aan het hoofdkantoor. Immers, we krijgen het geld van jullie blanken. Laat blanken de fondsen werven, dan doen wij de rest.''

Lokoima Lokwanale, een Pokot-nomade, zit aan het einde van de dag gehurkt op een kale rots die uitkijkt op een maagdelijk landschap. Geen stenen huizen, geen mechanisch gebrom, geen verharde wegen. Een ontwikkelde welvaartsmaatschappij zal hier nog vele ambtstermijnen van ministers van Ontwikkelingssamenwerking op zich laten wachten. Temeer daar ontwikkelingshulp doorgaans gericht is op boeren, op landbouw en veeteelt, niet op nomadisme. De jonge Pokot vindt het opbouwen van een lokale economie veel belangrijker dan ontwikkelingswerk – en daar is geen buitenlandse hulp bij nodig. Er zijn nauwelijks markten waar de veehouders hun beesten kunnen verkopen. ,,Kijk daar, over die verre heuvel'', wijst Lokwanala, ,,dat is drie dagen lopen om een koe te verkopen.'' Laat de mensen geld verdienen en naar school gaan, dan komt het wel goed, denkt hij. Iets verderop is een school. ,,Zelf ging ik nooit naar school, maar ik zie er iedere dag een blanke in een auto voorrijden, dus het moet goed zijn. Een school fabriceert dierenartsen, dokters en goede politici. Als we daar hard aan werken, hebben we straks die blanken toch niet meer nodig?''