Scholen schrikken van zwaarte Tweede Fase

Staatssecretaris Adelmund (Onderwijs) wil voorlopig niet sleutelen aan de Tweede Fase van het voortgezet onderwijs. Toch blijven scholen worstelen met de invoering. Het aantal zittenblijvers stijgt harder dan verwacht.

Morrelen aan de Tweede Fase, de onderwijsvernieuwing in de hoogste klassen van havo en vwo, wil staatssecretaris Adelmund (Onderwijs) absoluut niet meer, zo bleek deze week tijdens een debat in de Tweede Kamer. Wel zei Adelmund dat de eindexamens minder onderwerpen zullen omvatten dan voorheen, zoals eerder was toegezegd. De Kamer was bang dat de commissie die de examens vaststelt, onvoldoende gebruikmaakte van die verlichting. Hoe het onderwijs zelf wordt ingevuld, wil Adelmund overlaten aan de `professionaliteit van de docenten'.

Toch blijken in de praktijk nog veel scholen moeite te hebben met de invulling van het Tweede Fase-programma, dat als experiment begon in 1998. Uit de Monitor Tweede Fase, die Adelmund begin deze maand naar de Tweede Kamer stuurde, blijkt dat het aantal zittenblijvers in de bovenbouw van havo en vwo is gestegen.

Opvallend zijn de verschillen tussen scholen op dit punt. Op de meeste scholen is het aantal zittenblijvers gelijk gebleven, een op de drie scholen meldt meer zittenblijvers in 4 havo en en een op de vijf scholen in 4 vwo. Bij de meeste van deze scholen ligt de toename tussen de vijf en de twintig procent.

Die situatie tekent de problemen rond de Tweede Fase, zegt Arno Peters, plaatsvervangend rector van de scholengemeenschap Wolfert van Borselen in Rotterdam. Op zijn school is het aantal zittenblijvers in de vierde klas van de havo gestegen van zo'n 10 naar 25 procent. Schokkend? Helemaal niet, zegt Peters, het gaat er maar om hoe serieus je de Tweede Fase invoert.

Het Tweede Fase-programma in de bovenbouw van havo en vwo is zwaarder geworden, zegt Peters. Niet de stof is moeilijker, maar het vakkenpakket is breder. Gemiddeld volgen leerlingen veertien of vijftien vakken, waarvoor ze veel praktische opdrachten moeten uitvoeren. Ze krijgen minder klassikaal les, maar moeten vaker zelfstandig werken.

Een zwaardere bovenbouw was ook de bedoeling, stelt zijn collega Mattie de Vught, coördinator Tweede Fase van het Stedelijk College Eindhoven. Eén van de doelen was leerlingen beter voorbereiden op het hoger onderwijs. Het gevolg zou zijn dat niet iedereen die vroeger een havo- of vwo-diploma haalde, dat in de toekomst ook nog zou kunnen. Maar inmiddels is De Vught er niet meer zo zeker van of Adelmund dat nog steeds vindt. ,,Ze heeft wel eens bij een bezoek aan deze school gezegd dat dat achterhaald is.''

Scholen zitten met een dilemma: ,,Je wilt als school heel graag de leerlingen die binnenkomen ook aan een diploma helpen'', zegt Joyce Potter van Loon, coördinator 4/5 havo aan het Rijnland Lyceum in Wassenaar. Maar als je de Tweede Fase naar eer en geweten invoert, lukt dat niet, merkte ze. Bij haar op school steeg het aantal zittenblijvers in 4 havo eveneens van 10 naar 25 procent.

In de praktijk wordt op veel scholen de lat daarom wat lager gelegd, stelt Wim Nijman, projectleider Tweede Fase aan het Anna van Rijn College in Nieuwegein. Op zijn school steeg het aantal zittenblijvers met zo'n vijf procent. Vooral het eerste semester van 4havo halen zijn leerlingen slechte resultaten, daarna trekt dat bij, merkte Nijman. ,,Leerlingen schrikken wakker en trekken er wat harder aan. Maar ik denk ook dat docenten de normen iets bijstellen; praktische opdrachten iets soepeler beoordelen, toetsen iets makkelijker maken.''

Op veel scholen gebeurt dat structureel, denken Nijman, De Vught, Potter van Loon en Peters. Ze vinden het geen sjoemelen met de normen. Sinds Adelmund haar maatregelen ter verlichting van de studielast doorvoerde – een paar weken nadat leerlingen in december vorig jaar hardhandig protesteerden op het Binnenhof – is eigenlijk het hek van de dam, vindt Peters. ,,Als je als school het minimale doet, hou je je prima aan de regels. Zo ontstaan er grote verschillen tussen scholen.''

De maatregelen hielden in dat scholen gedurende drie jaar per vak één praktische opdracht mochten schrappen en dat de overige praktische opdrachten minder zwaar zouden tellen bij de bepaling van het eindcijfer. Het `profielwerkstuk', een van de pijlers van het examencijfer, zou nog betrekking hoeven te hebben op één vak in plaats van op twee vakken. Potter van Loon: ,,Officieel zijn het tijdelijke maatregelen, maar er is niemand die echt gelooft dat ze worden teruggedraaid.''

Daarnaast kunnen scholen ook op andere manieren de eisen verlichten. De schoolexamens die in de laatste twee jaar voor het examen worden afgenomen en die voor de helft het eindexamencijfer bepalen, hebben de scholen in eigen hand. Peters: ,,Die toetsen moeten op examenniveau zijn, maar dat is lang niet altijd het geval. Bij sommige scholen zijn dat een soort repetitietjes. Dan zullen meer leerlingen het halen, al zul je dan wel een groot verschil in cijfers zien in vergelijking met het eindexamen.''

Ook de eisen die scholen stellen aan vakken als Frans 1, Duits 1 en wiskunde A1, verschillen per school. Deze vakken worden in het voorlaatste examenjaar afgesloten, maar tellen wel mee voor het eindexamen. Potter van Loon: ,,Scholen stellen hun eigen overgangsnormen vast.''

Scholen moeten rekening houden met hun marktpositie en zijn huiverig voor een grote toename van het aantal zittenblijvers. Vooral de kwaliteitskaart, waarop per school dergelijke resultaten openbaar worden gemaakt, maakt scholen kwetsbaar.

Peters: ,,Ondanks het feit dat veel zittenblijvers een negatievere uitslag betekent op de kwaliteitskaart, moeten we dat toch accepteren. Maar we hebben een hoge instroom en kunnen dat dus accepteren. We hebben het niet gemerkt aan de instroom van leerlingen en daarmee zitten we als school in een luxepositie.''

Potter van Loon van het Rijnland Lyceum: ,,Niet elke school kan zich het permitteren dat de instroom tien of twintig procent terugloopt. Die scholen zullen eieren voor hun geld kiezen.''

Potter Van Loon, Nijman en Peters vrezen niet zozeer toenemende verschillen tussen scholen. Volgens hen zal er altijd een markt zijn voor scholen waarvan bekend is dat ze er een schepje bovenop doen. Peters: ,,Net zoals er altijd vraag zal blijven bestaan naar scholen die de naam hebben dat je er makkelijk je eindexamen kunt halen. Maar de ondergrens moet duidelijk zijn, zodat de verschillen niet te gek worden.''