Ongeldig genpaspoort

Wageningse voedingsonderzoekers zochten naar genen die bepalen of een cholesterolverlagend dieet zin heeft, maar vonden niets.

`Het restaurant van de toekomst waar je eerst je vinger in een apparaatje steekt, dat een paar genen meet en dan een aangepast menu voorstelt kan nog niet worden gebouwd.' Dat concludeert prof.dr. Martijn Katan nu zijn promovenda Rianne Weggemans haar proefschrift af heeft. Zij promoveert in januari op onderzoek naar het effect van cholesterolverlagende diëten en werkt inmiddels bij Unilever. De bedoeling van Weggemans was om veelvoorkomende genvarianten (polymorfismen) te vinden die bepalen of mensen wel of geen baat hebben bij een cholesterolverlagend dieet.

Er zijn waarschijnlijk meer dan honderd genen die de ingewikkelde cholesterolstofwisseling regelen. De eerste zijn dertig jaar geleden ontdekt maar er worden nog steeds nieuwe gevonden. In veel van die genen zijn polymorfismen gevonden die hun functie beïnvloeden. Mensen met de ene variant hebben daardoor een gemiddeld hoger cholesterolgehalte dan mensen met de andere variant. Deze polymorfismen komen bij 10 tot 80% van alle mensen vaak voor. Het zijn geen ziekmakende mutaties, maar wel geven sommige polymorfismen een hoger risico op hart- en vaatziekten. Genonderzoek wordt aangeprezen, omdat kennis van de genen inzicht zou geven in de ziekten die een individu bedreigen. Met gerichte voorlichting, preventie en aanpassing van leefstijl zouden de risico's vervolgens ingeperkt kunnen worden. Weggemans laat in haar proefschrift zien dat een genenpaspoort bij voedingsadviezen voorlopig nog niet nodig is.

De groep van Katan onderzoekt al vanaf eind jaren zeventig de invloed van verschillende diëten op het cholesterolgehalte in het bloed. Standaard waren daar enige tientallen mensen bij betrokken die dan bijvoorbeeld drie weken een dieet met veel verzadigd vet en daarna drie weken een dieet met weinig vet aten. Katan: ``Je zag steeds dat diëten bij sommige mensen een groter effect op het cholesterol hadden dan bij anderen. Daarbij werd altijd al aan genetische factoren gedacht. Begin jaren negentig hebben we al eens gekeken of we de invloed van polymorfismen zouden kunnen meten, maar dat was toen nog niet mogelijk. In 1995 hebben we uiteindelijk subsidie van de Hartstichting gekregen voor dit werk.''

De reactie van de inmiddels bijna 600 proefpersonen die in de loop van de jaren aan de dieetstudies hadden meegedaan was bekend. Maar van die mensen was geen DNA bewaard. Rianne Weggemans en projectleider dr. Peter Zock spoorden zoveel mogelijk van die mensen op. Ongeveer 90 procent van hen wilde alsnog bloed afstaan. In verschillende labs, van Boston tot Münster, werden vervolgens de bepalingen gedaan waardoor nu geanonimiseerd bekend is wie welk polymorfisme heeft in twaalf cholesterolbeïnvloedende genen. Het voorkomen van de polymorfismen is vergeleken met de mate waarin de proefpersonen met een cholesterolverandering op de diëten hadden gereageerd.

Zock: ``De verschillen waren maar in één geval significant. Maar het verschil was daar maar twee procent.''

Katan: ``Voorlopig moeten we concluderen dat er verschillen tussen mensen zijn, maar dat we bij de reactie van de cholesterolstofwisseling op diëten niet weten of de verschillen door genpolymorfismen worden bepaald. Het kan ook komen doordat de mensen dikker zijn, of dat we naar de Barkerhypothese kijken, die zegt dat de omstandigheden waaronder een foetus in de baarmoeder leeft invloed hebben op latere stofwisselingsprocessen en de risico's op allerlei ziekten.''

polymorfismen

Een andere mogelijkheid is dat de groep van 500 mensen waar de Wageningse voedingsonderzoekers nu naar keken toch nog te klein was en dat er pas bij screening van veel grotere groepen, en wellicht bij combinaties van verschillende polymorfismen verschillen zullen worden gevonden. Katan: ``Onderzoek onder veel grotere groepen is vrijwel onuitvoerbaar. Het genotype, dus de genen, is wel te meten, maar het fenotype, dus de reactie op een dieet, is nauwelijks vast te stellen voor zoveel mensen. Tenminste niet zolang je niet een korte test hebt die snel de reactie van het cholesterolgehalte op vet of andere voedingsmiddelen geeft. Wij werkten hier in Wageningen bij de weken durende dieetstudies met groepen van soms 60 mensen. Internationaal gezien waren dat heel grote groepen.''

Ook is het mogelijk dat de selectie van 12 genen die drie tot vijf jaar geleden werd gemaakt inmiddels achterhaald is. Katan slaat de Science van 1 december op waarin Amerikaans onderzoek naar een ABC-transporter staat. Dat membraantransportmolecuul werkt cholesterol vanuit het lichaam terug de darmen in. Katan: ``De ABC-transporter is een vreemd soort uitsmijter die ieder cholesterolmolecuul eerst naar binnen laat maar een groot aantal direct daarna weer de straat op gooit. Die fractie verlaat het lichaam in de ontlasting. Als er een foutje in het gen voor die ABC-transporter zit kan cholesterol zich in het lichaam ophopen. Tot nu toe bestond er vooral belangstelling voor het mechanisme waarmee cholesterol in het bloed wordt getransporteerd. Maar er was nog geen gen bekend dat verklaarde waarom een verandering in het cholesterol in de voeding leidt tot verandering van het bloedcholesterolgehalte. Ik dacht onmiddellijk toen ik over de ABC-transporter las: dit is weer een kandidaat voor ons.''

Zock: ``Wij hebben nu een groot bestand van historische dieetgegevens opgebouwd dat eigenlijk nergens anders ter wereld in deze omvang bestaat. De komende tijd kunnen we dus snel reageren als er nieuwe genen opduiken. Maar met wat we nu weten kunnen we op grond van iemands genen nog geen voedingsadviezen geven.''