Lappen

In HP/De Tijd van 1 december vertelt Jan Kuitenbrouwer hoe op een ouderavond van de klas van zijn dochtertje uitputtend werd vergaderd over de aanschaf van een CD-ROM-speler. Kosten: zo'n 200 gulden. Omdat het schoolbudget een dergelijke uitgave niet toeliet, stelde Jan voor de portemonnees te trekken en het geld daarvoor ter plekke te lappen. Met dit voorstel oogstte hij weinig bijval. Dit illustreert in zijn ogen de absurditeit van het gegeven dat ouders niet naar draagkracht mogen bijdragen aan het onderwijs van hun kinderen. Inderdaad een absurditeit.

De school waar hij het over heeft is een openbare basisschool in het centrum van Amsterdam. De inkomens van de ouders varieert, zo vertelt hij, van bijstandsniveau tot vier ton. Op de school ontbreekt het aan van alles en is het net zo shabby als standaard is in het hele Nederlandse onderwijs. Zeker als je het vergelijkt met wat ouders gewend zijn op hun werkplek en met de situatie bij de meeste kinderen thuis.

Kuitenbrouwer verwijst naar scholen waar de bijdrage wel inkomensafhankelijk is, en varieert tot zo'n duizend gulden per jaar. Hij vindt het ronduit belachelijk dat dit niet overal het geval is. Die solidariteit van de sterken met hun minder bedeelde broeders en zusters, wat is daar in hemelsnaam op tegen, vraagt hij zich vertwijfeld af. Vervolgens kritiseert hij de Tweede Kamer die een motie heeft aangenomen die de aanwending van oudergeld voor onderwijsdoelen aan banden legt. Boze Jan, die terecht opmerkt dat dit op veel plaatsen al jaar en dag het geval is: ``Zo werkt de politiek tegenwoordig: dat Nederlandse ouders jaarlijks honderden miljoenen uit eigen zak betalen om te voorkomen dat hun kinderen slecht onderwijs krijgen, kan onze volksvertegenwoordiging kennelijk niet schelen, maar een bewindspersoon die hardop zegt dat dit wat hem betreft wel mag, is een misstand die onmiddellijk met een motie dient te worden gecorrigeerd.'' De bewindspersoon in kwestie is minister Hermans die evenals Kuitenbrouwer solidariteit op schoolniveau propageert. Wat is daar nu op tegen?

De school van zijn dochter kent een qua inkomens zeer gemengde bevolking. Als dat voor alle scholen gold, was de oplossing van Jan een perfecte. Zijn voorstel kwam dan neer op een verhoging van de lasten volgens hetzelfde progressieve systeem dat onze belastingheffing kenmerkt. Hoe hoger je inkomen, hoe meer je betaalt. Maar scholen met zo'n gemengde populatie zijn er niet veel. Ze zijn in het algemeen net zo homogeen als de buurt waar ze staan. De solidariteit van Jan leidt dus in de praktijk tot grote inkomensverschillen tussen scholen. De solidariteit die Jan en Hermans zeggen na te streven dient daarom op landelijk niveau te worden gerealiseerd, namelijk door meer belastinggeld voor fatsoenlijk onderwijs, want het geneuzel over een paar centen dat Jan signaleert is inderdaad schandelijk en helaas bepaald niet uitzonderlijk.

En daarnaast is er de hypocrisie van de vrijwillige ouderbijdrage. Aan de ene kant dwingt de overheid de scholen om geld te vragen aan de ouders. Aan de andere kant kunnen scholen dat niet afdwingen. Dus je vraagt vrijwillig iets te geven, omdat je anders te kort komt, maar je kunt het niet verplichten. En daar bovenop verbied je de ouders ook nog eens om genoeg te geven om de school fatsoenlijk draaiend te houden. De keerzijde van de motie is dan ook de verplichting van de Kamer om aan die hypocrisie een einde te maken en ervoor te zorgen dat er genoeg regulier geld naar alle scholen gaat.