Helpende hand uit Den Haag

Ontwikkelingsgeld, of het nu volgens de Pronk-ideologie of volgens de Herfkens-shortlist wordt verstrekt, is nog geen garantie voor een grote sprong voorwaarts. Pas als de lokale gemeenschap het initiatief steunt, heeft het kans van slagen. Voorbeelden uit Egypte, Kenia en Brazilië. Helpt de hulp?

Hoewel minister Herfkens van Ontwikkelingssamenwerking zelf niet erg is gecharmeerd van die term, is de `ontpronking' van het ontwikkelingsbeleid in volle gang. Zonder pardon haalt Herfkens de ene na de andere hoeksteen uit het bouwwerk dat haar voorganger en partijgenoot Jan Pronk jarenlang met zoveel toewijding opbouwde.

Veel scherper dan Pronk let Eveline Herfkens, die zelf jarenlang bij de Wereldbank werkte, op het rendement van de hulp. Kan het ontwikkelingsland echt iets nuttigs doen met onze centen, wil zij in de eerste plaats weten.

Herfkens' zakelijke benadering komt haar wel eens op kritiek van de Tweede Kamer en van ontwikkelingsorganisaties te staan. Die voelden zich meer op hun gemak met de gepassioneerde, zij het vaak nogal wispelturige aanpak van Pronk. Daarbij werd ontwikkelingslanden tot in detail voorgekauwd in welke richting ze hun ontwikkeling dienden te zoeken.

Herfkens' wat onhandige presentatie in de media – ze stikt soms bijna in een onstuitbare woordenvloed – verhult dat zich de laatste paar jaar een ware revolutie heeft voltrokken bij de directie Ontwikkelingssamenwerking. Die stille omwenteling werd ingezet met een frontale aanval op de schier eindeloze lijst van ontvangende landen. Onder Pronk, die als een barmhartige Samaritaan nooit te beroerd was nog weer een arm land te adopteren, had Nederland een hulprelatie opgebouwd met maar liefst 118 landen. Daarvan konden er 78 rekenen op substantiële steun.

Door deze versnippering was het effect van de Nederlandse hulp volgens velen veel te gering. ,,Weggegooid geld'', constateerde Herfkens vorig jaar. Het leidde hooguit tot ,,paradijsjes in de uithoeken van sommige landen'' zonder dat het arme land als geheel ervan profiteerde.

Zo zette ze stevig het mes in de landenlijst. Voortaan krijgen nog maar 21 landen omvangrijke bilaterale steun uit Nederland. Nog eens drie dozijn landen kunnen rekenen op specifieke steun voor het milieu, projecten ter stimulering van het lokale bedrijfsleven en voor de ontwikkeling van goed bestuur. Als het aan Herfkens ligt, gaan die aantallen nog verder naar beneden.

De minister is minder geestdriftig over bilaterale samenwerking dan Pronk. Zij is meer geporteerd voor multilaterale hulp, onder meer via haar geliefde Wereldbank. Ook allerlei VN-organisaties worden door haar ruim bedeeld, al eiste ze afgelopen zomer wel dat die effectiever de armoede zouden bestrijden. ,,Ik ben niet bereid geld te blijven steken in organisaties die ten koste van de effectiviteit van de hulp hun paradepaardjes en hun institutionele ego's vooropstellen'', waarschuwde ze. ,,Het gaat om resultaten.''

Anachronisme

Een jaar geleden trok Herfkens een ander heilig huisje omver: dat van de Medefinancieringsorganisaties (MFO's). Vier hulporganisaties – ICCO, Cordaid, HIVOS en Novib – kregen elk jaar ruim zeshonderd miljoen gulden van de minister, dat zij naar eigen goeddunken aan projecten in ontwikkelingslanden mochten besteden. Tot grote ergernis van de vier doorbrak Herfkens dit monopolie door ook Foster Parents Plan, dat is gespecialiseerd in hulp aan kinderen, een deel van de MFO-gelden toe te kennen.

Eind augustus was het weer raak. Voor de televisie verkondigde de minister dat de uitzending van Nederlandse deskundigen naar ontwikkelingslanden ,,een anachronisme'' was geworden met een veel te laag rendement. Ook na jarenlange uitzendingen bleek dat de lokale bevolking vaak nog vrijwel niets had overgenomen van de kennis van de Nederlandse bestuurders, artsen en ingenieurs. Niet het aanbieden van Nederlandse deskundigen, maar de vraag ernaar moest volgens haar de doorslag geven.

In eerste instantie wekte Herfkens zelfs de indruk dat ze de uitzendingen van Westerse deskundigen helemaal wilde staken. Dat wekte veel commotie en ook de Tweede Kamer reageerde geschokt, ook al omdat Herfkens haar stelling niet met harde feiten en grondige rapporten had onderbouwd. Bovendien wezen organisaties als SNV erop dat zij al geruime tijd lokale deskundigen inzetten bij allerlei projecten.

Bij nader inzien bleek dat de soep van de minister minder heet werd gegeten dan zij was opgediend. Weliswaar zou de eigen afdeling op het ministerie die zich met de deskundigen bezighield, worden opgedoekt, maar via organisaties als SNV en PSO zouden ze beschikbaar blijven. Als ontwikkelingslanden een gefundeerd verzoek om bijstand van deskundigen deden, zou Nederland die nog steeds gaarne ter beschikking stellen. Ook onderstreepte ze dat de uitzending van tropenartsen gewoon zou doorgaan.

Zoals vaker in Nederland werd in het debat over de uitzending van de deskundigen de inhoud overschaduwd door de emoties. Dat was jammer, want aan de kwestie van de deskundigen kleefden enkele fundamentele vragen. Niet zonder reden wierp Herfkens de vraag op of die duur betaalde Westerse krachten niet dikwijls de plaatsen innamen van lokale, goed geschoolde mensen. Menige Afrikaanse of Aziatische econoom of jurist, zelfs als die in het Westen een goede opleiding heeft genoten, kan in eigen land geen geschikte baan vinden. Niet zelden zitten westerlingen hun in de weg en eindigen de autochtone academici achter het stuur van een taxi of een bus.

Terwijl Westerse landen duurbetaalde artsen en verpleegkundigen naar ontwikkelingslanden sturen, trekken artsen en verpleegkundigen uit die landen zelf naar het buitenland op zoek naar werk. In Groot-Brittannië wemelt het tegenwoordig van artsen en verpleegkundigen uit ontwikkelingslanden. Nederland rekruteert op het ogenblik zelf verpleegkundigen in Zuid-Afrika en de Filippijnen – die, dat moet gezegd, met een overschot in deze beroepsgroep kampen.

Maar is het niet méér in het belang van zo'n ontwikkelingsland om, eventueel met financiële steun van het Westen, gebruik te maken van de eigen goed opgeleide mensen? Daarmee is de continuïteit beter gegarandeerd, ze spreken de lokale taal en kunnen hun kennis doorgeven aan hun landgenoten. En het verhoogt het zelfrespect van zo'n land.

Illusie

Veel minder dan Pronk heeft Herfkens de illusie dat ontwikkelingslanden zich laten sturen door Westerse hulp. Zeker grotere staten als India en Indonesië zijn daarvan niet gediend. Die maken zelf wel uit welk ontwikkelingsmodel ze kiezen en welke sociale groepen daarvan het meest profiteren. Hun inkomsten uit de hulp belopen maar een fractie van hun totale inkomsten.

Meer dan Pronk onderkent Herfkens dat het uiterst moeilijk is om juist de allerarmste landen, en de allerarmste groepen binnen die landen, te helpen. Er is daar vaak nog geen goed bestuur, geen infrastructuur en er zijn onvoldoende geschoolde mensen. Daardoor ontbreekt de mogelijkheid om iets nuttigs te doen met buitenlands geld. Geld dat in landen met een iets hoger ontwikkelingsniveau wordt gestopt, werpt veel meer vruchten af.

Deze benadering kwam Herfkens een jaar geleden al op ongezouten kritiek van haar voorganger te staan. Volgens Pronk was Herfkens ,,op de verkeerde weg'' en speelde ze ,,te veel op zeker''. Een land met een goed bestuur en een beetje sociale en economische infrastructuur redt zich toch wel, zei Pronk: ,,Dan kun je het beter aan de markt overlaten.''

De tragiek van de ontwikkelingshulp is dat zowel Herfkens als Pronk gelijk heeft. Pronk stelt terecht dat landen die eenmaal een bepaalde ontwikkelingsgrens hebben bereikt, zichzelf doorgaans wel weten te redden, ook zonder ontwikkelingshulp. Niemand kan bijvoorbeeld volhouden dat China en de Aziatische tijgers dankzij ontwikkelingshulp in een stroomversnelling zijn terechtgekomen. Wel valt op dat die landen naar verhouding erg veel geld en moeite spendeerden aan de verbetering van hun onderwijs en gezondheidszorg.

Anderzijds heeft ook Herfkens geen ongelijk. Ontwikkelingshulp staat er allerminst garant voor dat een land een grote sprong voorwaarts weet te maken. Sterker nog: een overdosis hulp kan een arm land juist van de wal in de sloot helpen, zoals blijkt uit de tragische ontwikkeling van een hulpjunkie als Tanzania.

Een ontwikkelingsproject heeft pas echt kans van slagen als het door de lokale gemeenschap, dus niet alleen de eigen regering, wordt gedragen. Bij voorkeur neemt de lokale gemeenschap zelf het initiatief. Maar ook hier zit er een addertje onder het gras: hoe minder ontwikkeld een gemeenschap, hoe minder initiatieven er zijn te verwachten.

Zo blijven de ontwikkelingsdeskundigen, of ze nu Pronk of Herfkens heten, steken in deze vicieuze cirkel. Een enkele keer weet een land eraan te ontsnappen en door te stoten naar welvaart, maar niemand kan naderhand precies aangeven wat het geheim van de smid was. De zoektocht naar deze `graal' gaat niettemin onverminderd door.