Hardnekkige schilders

De tentoonstelling Op de huid bekeken is een hartstochtelijke, onbeschaamde ode aan de schilderkunst. Er hoort een tijdschrift bij, waarin Paul Kempers in het openingswoord de onuitroeibaarheid van het genre probeert aan te tonen. Hij noemt het een `ijzersterke traditie', die al sinds de jaren zestig keer op keer werd doodverklaard: eerst door de ideeënkunstenaars en performers uit het hippietijdperk, nu door al die snelle jongeren die van het lege, wachtende doek naar computer of videocamera wegvluchten.

Net als schrijven is schilderen een tijdrovend en eenzaam ambacht, datmaar weinig mensen een royaal belegde boterham oplevert. Dat weerhoudt een klein groepje koppige, gedreven lieden er niet van om het toch gewoon te gaan doen. De twintig schilders van Op de huid bekeken werden geboren tussen 1910 en 1975. Ze werken allemaal in Nederland; de meesten zijn ook van Nederlandse afkomst. Het zijn allemaal figuratieve schilders, die willen dat er herkenbare mensen en dingen op hun doeken staan. Veel van hen moesten zich daarom tijdens hun opleiding verzetten tegen de bij docenten heersende norm om alles vooral zo abstract en ongrijpbaar mogelijk te houden. ,,Ik heb het abstracte nooit helemaal begrepen'', zegt schilderes Helma Pantus (1957) hier plompverloren over.

De omgebouwde tramremise van het SBK hangt dus vol met menselijke figuren. Soms komen ze van foto's, zoals bij Monique Broekman (1967), die oude familiekiekjes omtovert tot kleurige, knusse plaatjes. Broekman bewijst dat je gezelligheid kunt schilderen. Haar opa's, oma's, ouders en kinderen dragen slecht gesneden kostuums en goedkope bloemenjurkjes, waaruit hun enorme hoofden en dikke knieën steken. Als je voor ze staat, is het of je ze hoort ruziën, giechelen en mopperen over het feit dat ze moeten poseren.

Grauwe, anonieme stadstaferelen zijn de grootste inspiratiebron voor Mattijs van den Bosch (1964). Hij is op zijn best als hij zijn figuren versimpelt tot grote Playmobil-poppetjes: zonder neus, ogen of mond, zonder kreukels in hun kleren en met net zo'n gladde helm als haar.

Annemarie Fischer (1940) schildert niet, ze `pleurt'. Zo noemt ze het zelf, en zo ziet het er ook uit. Onbelemmerd door angst of te grote zelfbeheersing smijt ze klodders wit en groen en roze op het doek, waaruit dan wel echte mensen opdoemen – op Fischers beste werken compleet met een karakter en een humeur. Een nare man zit met zijn handen ineengevouwen omhoog te kijken en denkt gemene dingen, die je boven zijn hoofd in een vieze wolk kunt zien hangen. Een ander drukt zijn handen in paniek tegen de voorkant van het doek als was het een autoruit en lijkt te stikken in de witte gassen rondom hem.

Iris van Dongen (1975), de benjamin van het gezelschap, stelt zich de wereld liever zacht en lieflijk voor. Haar Zelfportret als faun is opgezet als een 17de-eeuws landschapje, met rechts in de hoek een bloot meisje met paardenhoefjes. Op een ander zelfportret doemt ze groots op uit een moeras, een rok van mos als enige bescherming rond haar middel. Van Dongens werk is zo amodieus en eigen dat het alleen al daarom respect afdwingt.

Tentoonstelling: `Op de huid bekeken'. In: SBK Kunsthal De Remise, Bellamyplein Hal 1, Amsterdam. T/m 7/1. Open ma-zo 10-16 uur. Toegang gratis. Tel. (020) 6325492.