BIJ DE KONIJNEN PIEKEN DE BAASJES IN DE RANGORDE HET BEST

Mannetjeskonijnen paren niet alleen veel, zij brengen ook vaak jongen voort. Maar het zijn de baasjes in de rangorde, die door een juiste timing vrijwel altijd overlevende jongen voortbrengen.

Dat blijkt uit een speciaal nummer van Lutra, van de Nederlandse Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming. Daarin worden de vruchten geplukt van Duits-Nederlandse samenwerking tussen zoölogenverenigingen.

Wilde Europese konijnen (Oryctolagus cuniculus) leven in territoriale groepen van een tot drie mannetjes en tot zes vrouwtjes. Aan het begin van hun ruim bemeten voortplantingsperiode, van maart tot september, komt bij beide geslachten een lineaire dominantiestructuur tot stand, ofwel een rechtlijnige pikorde. De mannetjes bereiken en handhaven die door heftige vechtpartijen. Tegenover de rivalen van buiten de eigen groep vertonen diezelfde mannetjes niet mis te verstaan territoriumgedrag. Al die agressie vormt de voornaamste investering van de mannetjes in hun nageslacht. Die bepaalt wie toegang krijgt tot de vrouwtjes en zich dientengevolge voortplant.

Onderzoek op lange termijn toonde aan dat alleen vroeg in het seizoen geboren konijnen een reële overlevingskans hebben. De verspilling van levens is aanzienlijk. In de onderzochte populatie leven van jaar tot jaar vrij constant zo'n 65 dieren. Die volwassenen laten jaarlijks tegen de 300 tot wel 1080 jongen het licht zien. De overkill is dus groot.

De minderheid die overleeft, blijkt vrijwel uitsluitend van topmannen te stammen. Voor de bepaling van het moederschap hadden de onderzoekers een slimme methode. Vroeg in het jaar kleuren ze de buikzijde van gevangen vrouwtjes. Bij later in het jaar gecontroleerde nesten blijkt dan aan de voering van het nest wie de moeder is; vrouwelijke konijnen trekken voor de bekleding de vacht van de buik uit. Vaderschapsbepalingen zijn tijdrovender: daarvoor wordt DNA-analyse toegepast.

Mannelijke konijnen leven hun agressie vooral vroeg in het seizoen uit, bleek bij intensief observeren. Bij een lage populatiedichtheid of omvang van de eigen subgroep zijn mannetjes in staat alle vrouwtjes van hun groep tijdens de hele voortplantingsperiode te monopoliseren. Bij een hoge dichtheid en met meer dan twee mannetjes per groep neemt de concurrentie sterk toe. Niettemin lukt het de dominante mannetjes om het leeuwendeel van de vroege worpen voor hun rekening te nemen. Daarna doen ze het wat rustiger aan en leveren niet altijd meer strijd bij elke onwelgevallige situatie. In het verdere verloop van de voortplantingstijd neemt dan ook het aantal door subdominante mannetje voortgebrachte worpen flink toe. Maar daar hoeven de naar genetisch zelfbehoud strevende topmannen niet wakker van te liggen. Zij hebben met hun agressie en seksuele dadendrang, in sporttermen uitgedrukt, precies op tijd `gepiekt'.