Ademwolkje

Onuitputtelijk is het soort boeken waarin de stadsmens van de andere stadsmens tips en aanwijzingen krijgt om bij een bedoeld of onbedoeld verblijf in de vrije natuur het hoofd boven water te houden. Wat hij moet doen als-ie een Gemeen Dier tegenkomt, waaraan hij kan zien dat het gaat regenen, welk water drinkbaar is, welke vis eetbaar, enz. Ook en vooral: hoe je altijd en overal het noorden of zuiden kunt vinden.

Onuitroeibaar is het padvinderstrucje om het zuiden uit de stand van de zon èn het horloge af te leiden: laat de kleine wijzer van het horloge naar de zon wijzen en deel de hoek tussen de tijd waarop het wijzertje staat en het uur 12 in tweeën. De bissectrice wijst dan precies naar het zuiden. Wie de raad opvolgt kan ernstiger verdwalen dan destijds Hänsel en Gretel in het Duitse bos.

Laatst arriveerde `The Nikon Field Guide' met een voorschrift voor het berekenen van de heersende temperatuur in graden Fahrenheit uit de frequentie van het krekelgesjirp. Vermenigvuldigen met vier, tien aftrekken en dan kwadrateren. Het boekje ging voorbij aan het feit dat er meer dan één krekelsoort bestaat en dat de krekels in Japan, Amerika en Europa waarschijnlijk verschillen in temperament. En 's winters al helemaal hun snaveltjes houden.

Aanmerkelijk eenvoudiger was het trucje om vast te stellen wanneer de luchttemperatuur beneden de zeven graden Celsius is gedaald: dat is het moment waarop de adem zichtbaar wordt, zegt Nikon. Juist de afgelopen week, toen het door klimaatomslag overdag nog geregeld 12 of 13 graden werd, was keer op keer vast te stellen dat Nikon ernaast zit. Elke dag was de adem zichtbaar.

Zo kwam het AW-stukje in herinnering waarin was nagedacht over dat eigenaardige feit dat er soms dagen zijn waarop wel de adem van de hond als wolkje zichtbaar wordt maar niet die van het begeleidende baasje. Een AW-bezoek aan een kinderboerderij had de waarneming nog wat uitgebreid. Er zijn ook dagen dat wel het blatende schaap, maar niet het juichende kind ernaast wolkjes maakt. En de adem van de haan is soms wel zichtbaar als-ie kraait, maar niet als hij gewoon wat rondwandelt.

Nog steeds is het niet tot een ruimer empirisch onderzoek gekomen maar ook zonder dat lijkt het wel zeker dat het traject tussen de lage temperatuur waaronder de adem bijna altijd zichtbaar is en de - hogere - temperatuur waarboven-ie bijna nooit zichtbaar eigenlijk maar heel kort is. Een graad of tien, misschien. `t Hangt natuurlijk ook af van de heersende relatieve vochtigheid want de ademwolk is, zoals destijds beschreven, een typische `mixing cloud' een wolk die ontstaat uit de vermenging van twee luchtsoorten die elk apart onderverzadigd zijn aan waterdamp maar in combinatie bij de meng-temperatuur opeens oververzadigd. Vreemd genoeg kan dat.

Nu het traject in de praktijk maar tien graden blijkt te zijn, en misschien nog wel minder, wordt begrijpelijk dat allerlei heel kleine invloeden de uitslag kunnen bepalen. Destijds is al gewezen op de rol van de lichaamstemperatuur. Hoe hoger die is (en bij het gezonde, actieve konijn kan hij wel 40 graden zijn) hoe hoger in principe de kans op een ademwolk. De temperatuur is bepalend voor het maximale vochtgehalte van de lucht, rond de 35 graden Celsius neemt het maximaal mogelijke vochtgehalte van de lucht toe met meer dan 5 procent per graad temperatuurstijging.

Het was de overpeinzing van deze eenvoudige waarheden die de chef-AW er opeens toe bracht een eenvoudig experiment uit te voeren. De luchttemperatuur in longen, bronchiën, keel en mond wordt niet alleen bepaald door de (constante) lichaamstemperatuur, maar ook door de temperatuur van de lucht die wordt ingeademd, dus door de buitentemperatuur. Daarin treedt een veel grotere variatie op. Bij felle koude is de temperatuur van de uitgeademde lucht lager dan achter de centrale verwarming.

Dat betekent, als het nog te volgen is, dat de experimentator die vanachter de kachel pardoes de winterkou in loopt grotere ademwolken blaast dan de onderzoeker die al enige tijd buiten was. En zo blijkt het ook te zijn, iedereen die de verwondering van de buren durft trotseren kan dit bij herhaling vaststellen.

Het verschijnen van de ademwolk hangt van de kleinste kleinigheden af.Aannemelijk is daarom dat lucht die extra lang binnenslongs en binnensmonds werd gehouden, en dus alle tijd kreeg om ten volle verzadigd te raken, ook makkelijker dampwolken vormt dan lucht die maar even binnen het lichaam verbleef. Ook de geometrie van de luchtweg tussen long en buitenwereld kan van invloed zijn, enzovoort. Kortom: dat er verschillen bestaan tussen mens en dier en tussen dieren onderling is helemaal niet vreemd.

Aanleiding voor het ademonderzoek was destijds een beschouwing van Craig Bohren in `Clouds in a glass of beer' (Wiley, 1987). Minnaert ('t vrije veld) heeft nooit op ademwolken gelet en ook Jearl Walker (The flying circus) zwijgt erover. Wel noemt Walker een verschijnsel dat veel afbreuk doet aan de mogelijkheid het verschijnen van de ademwolk te voorspellen. Het is een misvatting, schrijft hij, dat een relatieve luchtvochtigheid van 100 procent noodzakelijk is voor het optreden van waterdamp-condensatie. Door het grote aantal condensatiekernen in modern-vervuilde lucht kan zoiets als mist al ontstaan bij een relatieve vochtigheid van 60 procent. Gelukkig wist het gealarmeerde KNMI daar tegenin te brengen dat dat in de praktijk maar een zeldzaamheid is en dat het altijd niet-stationaire situaties betreft.

Maar Walker heeft nog meer. In zijn vraag-en-antwoord spel met de lezer vraagt hij de lezer hoe het komt dat ook een éénmotorig vliegtuig vaak een dubbel condensspoor aan de hemel trekt. Dat komt door het dubbele patroon van onderdruk dat de vleugeltips beslaat. Met andere woorden: er bestaan ook nog allerlei aërodynamische effecten op condensatie. Onzeker is nog of ze zich uitstrekken tot het hijgend konijn.