Wie won, wie verloor in Nice?

Wie is de overwinnaar van Nice? Het is misschien sneu voor Wim Kok, die zich zont in de winst van één stem meer dan België in de Europese Raad: maar de althans morele overwinnaar is zijn Belgische collega, Guy Verhofstadt. Deze erepalm geven hem een meerderheid van zijn Europese collega`s, het Europese Parlement en een groot deel van de buitenlandse pers.

Wat heeft Verhofstadt gedaan om die eer te verdienen? Hij heeft door hardnekkig verzet, dat tot in de ochtenduren van maandag duurde, het gebrek aan logica van het Franse voorzitterschap aan de kaak gesteld, meer invloed voor de kleine lidstaten in de wacht weten te slepen en nog iets gered van de besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid, waar de groten ook niet erg gebrand op zijn.

Door zijn verzet tegen het Franse voorzitterschap heeft Verhofstadt terloops ook even de – vooral in Nederland populaire – mythe doorgeprikt dat, als puntje bij paaltje komt, de Belgen altijd zwichten voor Franse druk. Daarbij vergeleken, verbleekt de Nederlandse triomf over die ene stem, die wel eens zou kunnen blijken duur gekocht te zijn geweest. Geliefd heeft Nederland zich in elk geval niet gemaakt met dit bewijs nu eindelijk als grootste onder de kleinen te zijn erkend.

En wie is de werkelijke overwinnaar van Nice? Ongetwijfeld Duitsland, en wel door op de achtergrond te blijven en wijze zelfbeheersing te betrachten. Het heeft niet zijn gerechtvaardigde aanspraak op meer stemmen in de Europese Raad (op grond van zijn demografisch overwicht) willen doorzetten en daarmee een openlijk conflict met Frankrijk riskeren.

Het sop was Duitsland die kool niet waard. Maar zo dacht Frankrijk niet. Het klampt zich vast aan de mythe van de eeuwigdurende gelijkheid tussen beide landen, maar heeft het Belgische beroep op soortgelijke gelijkheid met het volkrijkere Nederland niet willen steunen. Leve de Franse logica!

Hoe het ook zij – met zijn ontspannen optreden in Nice, dat in schril contrast stond met de Franse verkramptheid, heeft Duitsland de lof en het vertrouwen van de andere landen – ook de Midden-Europese kandidaatlanden – verworven en ongewild het partijdige optreden van het Franse voorzitterschap, dat nauwelijks onderscheid maakte tussen eigen en Europese belangen, nog eens extra in het licht gesteld. De kritiek op dit optreden was algemeen. De Zweedse premier sprak zelfs van Italiaanse vergadermethodes (en moest daarvoor het protest van premier Amato incasseren).

Maar intussen wist Duitsland zijn demografisch overwicht toch tot uitdrukking te laten komen in een winst van 27 zetels in het Europese Parlement (Nederland verloor er zes van de 31; België drie van de 25). En doordat besluiten van de Europese Raad mede dienen te worden goedgekeurd door 62 procent van de totale Europese bevolking, betekent dit dat het verreweg volkrijkste land, Duitsland, de steun van slechts twee andere grote lidstaten nodig heeft om zo'n besluit te kunnen blokkeren, terwijl de andere groten daarvoor de steun van drie moeten zien te krijgen.

De machtsverschuiving in Duitslands richting, die al te voorzien was dadelijk na de val van de Muur, is echter niet alleen een kwestie van demografie en stemmenaantal in de Europese Raad. Zij heeft zich ook in Nice gemanifesteerd in de steun die enkele Midden-Europese staten, met name Polen, bij Duitsland zochten (en vonden), toen zij hun belangen niet voldoende gerespecteerd achtten door het Franse voorzitterschap.

Zo had president Chirac aan Polen, wanneer het eenmaal tot de Europese Unie zou zijn toegetreden, aanvankelijk 26 stemmen in de Europese Raad toebedeeld, en Spanje, dat vrijwel evenveel inwoners telt als Polen, 28 stemmen. Een telefoontje van Warschau naar bondskanselier Schröder was voldoende om deze te activeren en Chirac op andere gedachten te brengen. Alleen al hieruit blijkt dat zelfs Polen tegenwoordig in Duitsland zijn steun en toeverlaat ziet, en niet langer zijn traditionele bondgenoot Frankrijk.

Ook Roemenië, soeur latine en eveneens vanouds bondgenoot van Frankrijk, kwam er in de oorspronkelijke Franse voorstellen bekaaid van af en kon slechts door Belgische tussenkomst toch nog één stem meer dan het veel minder volkrijke Nederland krijgen. Hoe komt het dat Frankrijk zijn traditionele en toch altijd nog potentiële bondgenoten in Midden-Europa zo verwaarloost?

Eén verklaring is dat Frankrijk, Duitslands grotere invloed in Noord- en Midden-Europa als een voldongen feit aanvaardend, tegenwicht zoekt in Zuid-Europa, meer in `t bijzonder bij Spanje (daarmee overigens zich ongeliefd makend bij Portugal). De Franse diplomatie begint, kortom, tekenen van paniekvoetbal te vertonen. Misschien was de slechte voorbereiding van Nice daar ook een bewijs van. In elk geval: als er een verliezer van Nice aangewezen moet worden, dan is die Frankrijk.

Was bijna iedereen teleurgesteld tot ontstemd over de resultaten van Nice, de kandidaatleden, die opnieuw uitstel van hun toetreding hadden gevreesd, waren opgelucht tot tevreden. Maar ze doen beter het halleluja niet aan te heffen eer de strijd volstreden is. Waarom zou Frankrijk gerede steun geven aan de totstandkoming van een Europa waarin Duitsland zo duidelijk de grootste — en door bijna iedereen als zodanig aanvaarde – mogendheid zou zijn? Ook een verliezer kan nog menige spaak in het wiel steken.