We zitten nog barstensvol bijbel

Elke maaltijd openen met gebed en besluiten met bijbellezing en dankzegging, het is een met het piëtisme binnengekomen ritueel geworden van het Nederlandse protestantisme. Met name de gereformeerden hebben het geweten. Hoor Jan Wolkers, of nog liever: zie hem in de gedaante van een klassieke profeet bijbelteksten citeren, of lees hoe Maarten 't Hart het Godsbestaan definitief achterhaald acht sinds Nico ter Linde's hervertelling van de bijbelverhalen. In het beste (door hem bewonderde) bijbelse idioom: `Als Hij wel bestond zou er allang vuur van voor Zijn aangezicht zijn uitgegaan om deze verschrikkelijke travestie van Zijn Woord te verteren'. Ze (Wolkers en 't Hart) bedoelen de bijbel in de zo gegeheten Statenvertaling (SV) van 1637. Ze hadden vaders die er aan tafel uit voorlazen. Zoals mijn vader dat deed, spannend, als hij de bijbel dicht deed riepen we: `verder!' Die taal laat zich niet meer uit je geheugen wassen, vanaf het `fijn getwerend linnen' van de tabernakel tot aan `Starbosnai en zijn gezelschap' toe. Die tijd is voorbij, vaders die voorlezen zijn er niet meer, kinderen van vandaag krijg je niet meer tot luisteren, en de SV heeft het af moeten leggen tegen de verandering die een levende taal nu eenmaal ondergaat. Wordt er nog bijbel gelezen dan gebeurt dat uit nieuwe vertalingen, afgezien dan van enkele behoudende kerken en daarmee verwante kringen die – als teken van orthodoxie – aan de SV vasthouden. Onder literatoren heerst weinig waardering voor het afstappen van de SV. Waarom er niet aan vastgehouden, wat is er eigenlijk mis mee? `Why spit on your luck', zei W.H. Auden, toen de King James Version, de Engelse pendant van onze SV, maar van iets oudere datum (1611), om dezelfde reden onder vuur kwam te liggen: gewone mensen lazen hem niet meer.

Is het werkelijk zo'n ramp, dat verdwijnen van de SV met haar gebeeldhouwde zinnen? Voor de generatie die ermee is groot geworden is het in elk geval een gemis; ik hoor er zelf bij, en kan het beamen. Maar een ramp? Nee, je kunt beter zeggen dat we geluk gehad hebben, en in een taal zijn grootgebracht die niet alleen het eigen taalgevoel maar dat van een gehele natie heeft gestempeld. Dat laat zich prachtig verifiëren aan de hand van een onlangs uitgekomen boek Bijbels Lexicon. Woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu.

Polemiek

Want je kunt wel zeggen dat nieuwe vertalingen zich nog moeten bewijzen, de Oude (in de heftige polemiek van een halve eeuw geleden met een hoofdletter geschreven) heeft dat in elk geval gedaan. Onze taal is doorspekt en doorregen met bijbeltaal, niet in de vrome zin van dat woord, alsof heel Nederland een bijbelgetrouwe natie was geworden. Niemand denkt meer aan geloof en bijbel als hij het heeft over een judaskus of een jobstijding, en indien al, dan is die reminiscentie toch al helemaal verdwenen als het gaat om `de dood in de pot' of `de hand aan de ploeg slaan'. Wat het Lexicon doet is deze taal, de bijbeltaal dus, in kaart brengen, voorzover het tot gewoon seculier taalgebruik is uitgegroeid. Het doet dat alfabetisch, begint elk lemma met aanduiding van de vindplaatsen ervan in de bijbel, niet alleen trouwens in de SV: er wordt een hele reeks vertalingen geraadpleegd. Daarnaast de vindplaatsen in de literatuur, en in de gewone spreektaal, zoals in krant en café gebruikelijk. `Als ik een moorkop eet, gebruik ik altijd mijn tien geboden' om maar een voorbeeld van het laatste te geven. Het leeuwendeel van het Lexicon bestaat uit eigennamen die van bijbelse oorsprong zijn. Van Job tot Jezus, van Jerobeam tot Judas: waar staat het, en waar vind je het terug in ons spraakgebruik. Maar namen is niet alles. De typisch bijbelse uitdrukkingen zijn er ook nog: gewone woorden uit de eigen taal van de vertalers die door nieuwe combinaties of door nauwe aansluiting aan het Hebreeuwse – wil men: Semitische – idioom, vleugels hebben gekregen. `Muggenziften' is er zo een, `op twee gedachten hinken', `ten hemel schreiend', `bij de pakken neerzitten', de lijst is eindeloos te verlengen. Woorden waar niets mee aan de hand is, en toch dragers geworden van betekenissen die uit de bijbelse context voortgekomen zijn. Voer voor liefhebbers van de Nederlandse taal, en een bron van verrassingen voor mensen die zich voor bijbeltaal interesseren. Een korte maar heldere inleiding op bijbelvertalingen in het Nederlands, en een verantwoording van de gevolgde methode gaat aan alles vooraf.

Niet vroom

Let wel, het is dus niet een boek voor vrome bespiegelingen, ook niet een boek om met de bijbel kennis te maken. Wat je eruit meeneemt is ten eerste plezier. Vondsten en vondstjes, niet allemaal even opwindend. Sommige taalstaaltjes van het Oude Testament ontbreken, maar dat komt omdat latere handen de SV nog eens gekuist hebben, en ze dus nooit een kans hebben gekregen. Zo lezen we in de boeken Samuel en Koningen over `alles wat manlijk is', maar er staat 'alles wat tegen de wand pist'. De oudere uitgaven van de SV hebben dat nog keurig, mijn vader las het aan tafel met een onbewogen gelaat, en wij mochten er niet om lachen.

Naast leesplezier zet het boek aan het denken. Het Lexicon laat zien dat de bijbel, van huis uit als Gods Woord opgevat, cultuur is geworden: gewone taal. Waar vertalingen al niet goed voor zijn! Want het is natuurlijk om het Nederlands dat de bijbel zo geliefd is bij (nog maar eens) Wolkers en 't Hart, niet omdat het Gods Woord zou zijn, want in dat geval zou de beste vertaling nog niet goed genoeg wezen. En als Nederlands is de bijbel spraakmakend geworden. Zo min men een gelovige moet zijn om de Matthäuspassion prachtig te vinden, evenmin is het spreken van bijbeltaal een teken dat je je op kerkelijk erf bevindt. De bijbel als nalatenschap van het christendom, daarop komt het neer.

Dat is niet niks. Weliswaar zijn de kerken niet meer baas over de Schriften, maar ze mogen in hun handen wrijven. Hun succes is groter dan ze zelf geloven: ze zijn bezig in cultuur te veranderen. Met de taal is het begonnen. Taal heeft invloed, taal ordent een samenleving. We weten dat een Judaskus de kus van een verrader is, en verraders moeten we niet. Niemand kan twee heren dienen – daarmee zijn we het eens, al zegt dat nog niet, dat we het niet proberen. Zich geroepen voelen, een mens drukt ermee uit dat hij een taak op zich neemt waar hij niet onderuit kan. De Mammon vinden we verdacht, en in een hof van Eden willen we wonen. We zitten vol van bijbel, maar we zijn eraan gewend en merken het dus niet meer.

Karina van Dalen-Oskam en Marijke Mooijaart: Bijbels Lexicon. Woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu. Prometheus, 442 blz. ƒ49,50

    • H.M. Kuitert