Vonk tussen twee werelden

Per traditie noemen we de wereld die ons dagelijks omringt de werkelijkheid. De wereld in ons hoofd, die van de droom, heet een verzinsel. Maar stel nu eens dat het andersom is? Dat het juist de droom is die de werkelijkheid zichtbaar maakt, of dat de droom de werkelijkheid is, de enige echte?

Met die koortsige gedachte leeft de man om wie Floor Haakman het verhaal gesponnen heeft van haar debuutroman Oneetbaar brood. Hij heet Nadar en is gegrepen door zijn eigen dromen. Wordt hij wakker met het beeld voor ogen van, om iets te noemen, een kleur die hij nooit eerder gezien heeft, die op geen enkele manier op de bestaande kleuren lijkt en onbeschrijfelijk is, dan weigert hij dat af te doen als een verzinsel. Als hij zo'n kleur ziet, dan kan het toch niet anders of die kleur bestaat, ergens?

Nadar leeft met de overtuiging dat de droom een werkelijkheid laat zien die groter is dan wat wij in het dagelijkse leven voor de werkelijkheid aanzien. Wij leven in een grot, zegt hij met Plato, en we zien van daaruit niet meer van de wereld dan een straaltje licht dat binnenvalt en schaduwen die in dat licht bewegen. We zijn gevangenen, geketend in beperkingen van tijd en ruimte, en de enige manier om uit die ketens te ontsnappen en de echte wereld te aanschouwen, is die van de droom.

En dus droomt Nadar. Vaak 's nachts, maar soms ook overdag, in diepe slaap of in een doezel, en hij doet verslag van zijn ervaringen in een notitieboekje. Hij ontgint een werkelijkheid waar tijd en ruimte er niet meer toe doen, waar vrijheid heerst, en leeft met de bezetenheid van de ontdekkingsreiziger op weg naar een nieuw continent. Hij is de Columbus van de droom.

Hoe serieus moet je zo'n wolkenridder nemen? Haakman geeft hem veel krediet. Hij is een gestudeerde filosoof, gebruikt het bijpassende jargon en werkt aan de universiteit. Zijn vrouw beziet hem met bewondering, een huisvriend ziet hem als zijn intellectuele meerdere. Hij is gesloten, excentriek, een wereld in zichzelf, en heeft dus alle trekken van een man die nog wel eens een genie kon blijken te zijn.

Maar door dat beeld schijnt, als je langer kijkt, een tweede beeld. Haakman laat Nadar geloven dat die wereld van de droom hem ooit volledig van het dagelijkse leven zal verlossen, dat hij het zal kunnen afschaffen. Wat je niet droomt, zegt hij, bestaat in diepste wezen niet, en het bestaan der dingen hangt dus van je eigen geest af. Dood en ziekte wuif je weg, vervelende herinneringen wis je uit en hinderlijke medemensen transformeer je tot een type dat je beter ligt. Je zegt het maar, je schept je eigen leven.

Cryptisch

Nadar, met andere woorden, heeft een flinke klap van de molen gehad, en Haakman laat de lezer in dertig korte hoofdstukken ontdekken van welke. Je kijkt binnen in zijn geest, verspringt dus net als hij van dagelijkse werkelijkheid naar droom en terug, en ziet tussen die beide werelden spanningen en botsingen ontstaan die een vingerwijzing geven, vaak heel cryptisch, wat er met hem aan de hand is.

Cruciaal daarbij is zijn ontmoeting, in het boek naar voren gehaald in een proloog, met een studente, Osten-Sibel, die zijn hang naar een hogere werkelijkheid herkent en daar haar eigen theorieën over heeft. Hij hoort haar aan, ziet haar sindsdien ook op college, en merkt gaandeweg iets raadselachtigs op. Hij komt haar niet alleen meer tegen in zijn dagelijkse leven, op de universiteit, ze dringt ook binnen in zijn dromen.

Die ontdekking slaat een vonk tussen zijn beide werelden, die hij tot dan toe streng gescheiden heeft gehouden. Plotseling ziet hij de mogelijkheid dat hij het leven in zijn droomwereld met een ander zal kunnen delen, dat hij daar niet meer alleen zal zijn, dat hij zich daardoor los kan maken van het dagelijks gezelschap van zijn vrouw en huisvriend, kortom, dat het ogenblik is aangebroken om zijn dagelijkse leven af te schaffen. Hij is klaar voor de verlossende, definitieve stap in de wereld van de droom.

Hoe hij zich dat voorstelt, blijkt vervolgens op een feestje bij hem thuis, waar ook zijn zielsverwante Osten-Sibel komt. Hij trekt haar op schoot, sjort aan haar kleren en vrijt met haar op het gazon, ten overstaan van alle feestgangers, zijn vrouw incluis. Laat het gezelschap achter in verbijstering en reist met zijn kersverse geliefde naar Parijs, waar naar zijn overtuiging hun gezamenlijke leven in de droom zal beginnen.

Het verontrustende alleen is dat die droom, naarmate de vervulling dichterbij komt, bij Nadar een nieuwe vorm aanneemt. Er komt een angstdroom bij. Hij droomt over een meisje dat hij met zijn nieuwe liefde associeert, zonder dat hij weet waarom, en hoort daarbij een stem die zegt dat hij van nu af aan zal moeten `vluchten'. De droom herhaalt zich, steeds gedetailleerder, en er is iets in de beelden dat hem zegt dat het hier om een episode uit zijn eigen leven gaat. Een episode die hij zich niet meer herinnert, maar die zich weer aan hem opdringt.

Als die herinnering ten slotte aan het licht komt, is zijn lot bezegeld. Hij heeft weliswaar zijn lang gezochte leven in de droom bereikt, maar juist die droom blijkt hem weer terug te voeren naar het dagelijkse leven. Terug, godbetert, naar een episode uit dat dagelijkse leven die hij niet voor niets zo diep heeft weggestopt – het blijkt een gruwelijke scène te zijn, waarin hij voor het leven is beschadigd. Hij is terug waar hij begon, hij zit in de val, en dan slaan ook de laatste stoppen bij hem door. Zelfs in zijn eigen ogen wordt hij in de laatste hoofdstukken `een beetje gek'.

Isolement

Ik vertel het allemaal zo stap voor stap na, omdat het niet zo simpel is de loop en afloop van dit boek onder één noemer te brengen. Met de droombeschouwingen van de held begint het als een intrigerende, maar cerebrale filosofische oefening in schijn en wezen. Dringt zich daarna het verleden van de held op, dan verandert het in een meer psychologische zoektocht naar wat hem ooit overkomen is, en als dat duidelijk wordt verandert het opnieuw, nu in een soort van waanzinaria.

Zo is er aan dit boek wel meer dat je op het verkeerde been zet. De opbouw is niet altijd even strak en aanzetten tot thema's sterven hier en daar een stille dood. Het is alsof de schrijfster is begonnen bij een intrigerend uitgangspunt en van daaruit al schrijvende is gaan ontdekken wat haar daar dan eigenlijk in intrigeerde. Het geheel krijgt zoekende pas vorm, het groeit van binnenuit, en daarin is het typisch een debuut.

Maar dan toch wel een goed debuut, want Haakman komt uiteindelijk wel tot een kern. Als je vanaf de laatste bladzij terugkijkt, zie je dat Oneetbaar brood van zin tot zin verwijst naar menselijk isolement. Of het nu over het traumatische verleden van Nadar gaat, over de manier die hij daarna bedenkt om daarvan weg te komen, over zijn ontsnapping uit het dagelijkse leven in de droom, over de waanzin waar hij in verdwijnt – in alle stadia van het verhaal draait het om onmacht om zich met de wereld te verbinden. Om onvruchtbaar, tot niets leidend leven. Oneetbaar brood.

Het is een verdienste van Haakman dat ze aan dat thema, een soort solipsisme dat in onze literatuur de laatste jaren al stevig afgekloven is, een onmiskenbaar eigen vorm gegeven heeft. En daar komt bij dat ze een eigen toon heeft. Ze schrijft koel en onderzoekend, als een wetenschappelijke observator. Ze zoomt in op de gedachten van de held, zoomt uit om hem in zijn sociale wereld te situeren, en zoomt dan ineens weer in op de gedachten van een ander personage, als die over hem gaan. Ze peilt hoe de afstand is tussen de personages, wat die voor elkaar verzwijgen, wat hen van elkaar gescheiden houdt, en geeft daarmee een bijna grafisch beeld van hun isolement.

Haakman heeft de toon van een verteller die, hoog boven de partijen, niet zozeer alwetend is alswel juist veel wil weten. Ze betoont zich sensitief, bij alle koelheid, en van plan iets te ontdekken, en ze lijkt me daarom een talent dat met een jaar of wat nog wel eens mooi zou kunnen rijpen.

Floor Haakman: Oneetbaar brood. Bert Bakker, 183 blz. ƒ31,95