Veilig blijft het denken

Toen de presidentsverkiezingen eenmaal op een chaos waren uitgelopen, vroegen velen zich af of de Amerikaanse democratie daarmee haar zwakte of nu juist haar kracht toonde. Castro kon zich vrolijk maken over het spektakel in Florida en zijn tegenstanders schamperden dat zoiets zich bij hem inderdaad nooit kon voordoen. Onder al dat gesteggel leek Amerika er nauwelijks van wakker te liggen dat nog niet de helft van de kiesgerechtigden de moeite had genomen te gaan stemmen. Wat in Europa op veel minder dramatische gronden al sinds jaren aanleiding geeft tot doemscenario's, weerhoudt de Verenigde Staten er niet van zich nog steeds de meest democratische natie ter wereld te voelen.

In zijn bundel Onbehagen in de filosofie maakt de Groningse filosoof Lolle Nauta zich zorgen over die afkalvende democratische gezindheid. In het boek is een tiental opstellen bijeengebracht die cirkelen rond de rol van de filosofie en haar relatie tot de politiek. Na de `subcultuur van de wijsbegeerte' – die zich volgens hem veel te weinig in het publieke debat begeeft – op haar nummer te hebben gezet, laat Nauta zien hoe het wèl moet. De rest van de bundel bevat beschouwingen over de rol van de vreemdeling, burgerschap en de betekenis van de politiek in een samenleving die daarover steeds meer de schouders ophaalt.

Nauta weigert de hedendaagse politieke apathie op te vatten als een gebrek aan burgerzin. Ze is een democratische realiteit die politici niet kunnen afdoen met het argument dat de burger hen maar niet wil begrijpen. Het wordt dan ook tijd voor `een nieuwe theorie van de democratie', die niet alleen het gedrag beschrijft van de deelnemers, maar ook van degenen die er zich van hebben afgekeerd.' Het is, met andere woorden, niet langer vanzelfsprekend dat democratie samenvalt met het uitoefenen van het stemrecht.

Het is niet de eerste keer dat Nauta wijst op de betekenis van politieke desinteresse. In zijn bundel De factor van de kleine c (1987) volgde hij een werkloze die zich in de politiek stortte om zijn situatie te doorbreken, maar moest ontdekken dat de deuren voor hem gesloten bleven. Culturele armoede (de titel van het stuk) was volgens Nauta de oorzaak van politieke uitsluiting. `Het is niet zo dat 's mensen emancipatie bijna voltooid is. Ze is hooguit net begonnen,' zo eindigde hij. Intussen is Nauta's visie enigszins verschoven. De politiek is niet meer vanzelfsprekend het brandpunt van het maatschappelijk debat en de afspiegeling van de maatschappelijke verhoudingen. Ze lijkt eerder één factor temidden van vele andere, al ziet ze dat zelf nog niet zo goed in. In dat opzicht is haar lot vergelijkbaar met dat van het begrip `democratie' zelf. Terwijl het aanvankelijk slechts verwees naar een bepaalde staatsvorm, waarin (in principe) alle stemmen telden, heeft het inmiddels ook een morele en maatschappelijke betekenis gekregen. Niet alleen een staat maar ook een samenleving kan `democratisch' zijn, en zelfs van een `democratische persoonlijkheid' kijken we niet meer vreemd op.

Modderfiguur

Het is aan die verbreding van het begrip democratie te danken dat de Verenigde Staten zichzelf als de grote democratische kampioen kunnen opwerpen, ook al slaan ze op het punt van de politieke participatie een modderfiguur. Ook Nauta lijkt in die richting te denken. Maar in plaats van een verhandeling te geven over politieke deugden in een verbrede democratie, volgt in de bundel dan een stuk over de deugden van het burgerschap die deze kennelijk moeten vervangen. Maar met die ruimhartige interpretatie van het begrip `democratie' komen ook de moeilijkheden. Want welke plaats krijgt de politiek, wanneer ze aan de ene kant in de samenleving staat en deze tegelijk moet besturen en er dus tegenover of boven moet staan?

Nauta geeft geen antwoord op die vraag, maar twijfelt er niet aan dat de politiek nog altijd een bijzondere taak heeft. Ze moet ervoor zorgen dat ieder mens de nodige vrijheid bezit om individuele keuzen te kunnen maken. Die liberale uitgangspunten lijken allerminst een terugtredende regering of `nachtwakersstaat' met zich mee te brengen. Integendeel, politiek bestaat volgens Nauta allereerst in het creëren van een politieke agenda, niet in het slaafs afhandelen van de al bestaande agendapunten. Vraagstukken die niet als zodanig worden onderkend, moeten eerst politiek gemáákt moeten worden – desnoods, zo schrijft hij, met geweld.

Dat klinkt al een stuk minder liberaal, al zegt Nauta er direct bij dat dit geweld alleen in ondemocratische systemen gelegitimeerd is. Hoe scherp de grens tussen beide getrokken kan worden, is echter een vraag die Nauta opnieuw niet beantwoordt, zo min als hij aangeeft hoe een theorie van democratische desinteresse eruit zou kunnen zien. Het blijft bij intrigerende suggesties.

Misschien valt er ook niet meer te verwachten van een essayist die ooit de columnist naar voren schoof als de nieuwe incarnatie van de klassieke intellectueel. Ongetwijfeld heeft Nauta daarmee al meer aan het publieke debat bijgedragen dan de meeste filosofen ooit zullen doen. Maar die bewondering voor de vaderlandse columnisten heeft ook haar bijwerkingen. Ze leidt bij Nauta nogal eens tot snelle oordelen en een hang tot scherpe tegenstellingen die het in de scherts van een column aardig doen, maar die bij grondiger beschouwingen al snel systeemdwang doen vermoeden.

Nauta maakt van zijn filosofische voorkeuren en antipathieën geen geheim. In een onthullend stuk beschrijft hij zijn eigen wordingsgeschiedenis, die grotendeels parallel loopt met de wijsgerige modes van de afgelopen veertig jaar. Zoals zovelen van zijn generatie begon Nauta (1929) als existentialist, tot hij in de jaren zestig ontdekte dat de zijnsfilosofie van Heidegger elk concreet maatschappelijk probleem onzichtbaar maakte. Na een `kritische' periode met sterke marxistische invloeden in de jaren zestig en zeventig, herontdekte hij de analytische taalfilosofie en groeide zijn bewondering voor de Verlichting en de hedendaagse erfgenamen daarvan. Verlichting up, Heidegger down: dat is grof gezegd Nauta's filosofische maatstaf. Ook al wil hij de begripsanalyse van de taalfilosofie wel aangevuld zien met ideeënhistorische en cultuursociologische analyses, want in verschillende tijdperken of situaties kunnen dezelfde ideeën iets heel anders betekenen.

Hoe eenzijdig Nauta's toewending tot de Verlichting is, blijkt wanneer hij ronduit weigert te erkennen dat zij een filosofisch probleem kan vormen, omdat, aldus Nauta, `haar programma inmiddels een globale aangelegenheid geworden is'. Dat is een bizar argument, want wat realiteit is, is nog niet automatisch gerechtvaardigd en ook Nauta moet toegeven dat de Verlichting schaduwzijden heeft. De erkenning dat dát nu juist een van de kernpunten van het denken van Heidegger was, kan er ook dan bij hem niet af. De bijna religieuze ervaring waarin Nauta zijn ontvankelijkheid voor de Verlichting op zijn vroegere fascinatie voor Heidegger heeft moeten bevechten, is daarvan waarschijnlijk de oorzaak. `Mij vielen de schellen van de ogen,' zo omschrijft Nauta zijn bekering, als een verre echo van Rudy Kousbroek, die hij ooit `Nederlands belangrijkste essayist van na de oorlog' heeft genoemd.

Maar wie van kritiekloze navolging omslaat in halsstarrige verwerping, bereikt zelden een uitgewogen standpunt. Hij zal moeite hebben duidelijk te maken waarom zijn radicalisme van nu zoveel verstandiger is dan zijn radicalisme van toen. Die neiging tot het scheppen van absolute tegenstellingen, speelt Nauta regelmatig parten. Zo schrijft hij in een behartenswaardig opstel over het vreemdelingenvraagstuk, dat de `nieuwe vreemdelingen' van vandaag, in tegenstelling tot die van vroeger, naar Nederland gekomen zijn om deel uit te maken van de samenleving en dat het `minder vreemd geworden is om vreemd te zijn'. De tegenvoorbeelden dringen zich onmiddellijk op. Ook de zestiende-eeuwse joden kwamen om zich in de Republiek te vestigen en tot voor kort zorgde het zuilensysteem voor een permanente `vreemdheid' binnen de samenleving. Maar hoe uitgebreid Nauta zelf ook over die twee voorbeelden komt te spreken, ze brengen hem niet aan het twijfelen over zijn eigen stelling, waarin een nieuwe tegenstelling (tussen vroeger en nu) geschapen wordt om een oude (tussen de vreemdelingen en `ons') te verzachten.

Gevaarlijke twijfels

Op dezelfde manier maakt Nauta de individualisering die werd ingezet door de Verlichting tot zo'n groot goed, dat iemand die `de normatieve waarde van het individu niet zonder voorbehoud erkent' volgens hem `niet bestand [is] tegen de totalitaire verleiding'. Daarmee wordt de werkelijkheid simpeler dan ze is. `Zware' protestanten die alleen aan God soevereiniteit toekennen en het individu dus níet tot de hoogste norm van alles maken, bleken tijdens de Tweede Wereldoorlog tot de betrouwbaarste leveranciers van onderduikadressen te behoren. Zij deden dat misschien niet eens omwille van de individuen die zij redden, maar vanuit een theocratische overtuiging die Nauta `totalitair' zou moeten noemen en die niet terzijde geschoven kan worden met de dooddoener dat uit elk kwaad ook wel eens iets goeds voortkomt.

En hoe waar het ook mag zijn dat in een ondemocratisch systeem een aantal zaken bij voorbaat niet voor debat in aanmerking komt, zoals Nauta schrijft, de daarmee gegeven suggestie dat een democratisch bestel dergelijke taboes niet zou kennen is op zijn minst twijfelachtig. Alleen al de vraag of democratie werkelijk de best denkbare staatsvorm is, zal niemand durven stellen zonder daaraan onmiddellijk toe te voegen dat hij daarvan zelf natuurlijk ten volle overtuigd is. Verder dan intellectuele Spielerei mag zo'n vraag nu eenmaal niet gaan. Maar juist bij zulke gevaarlijke twijfels wordt de filosofie pas interessant. Het is verre van zeker dat Nauta daaraan zelf kan ontkomen, wanneer hij het door hem opgeworpen probleem van de democratische desinteresse werkelijk serieus neemt. Laat dat het ideaalbeeld van de democratie werkelijk onverlet? Het geloof in de Verlichting kan de twijfel lang buiten de deur houden, maar uiteindelijk moeten ook haar meest vurige verdedigers met de democratische billen bloot. En dan?

Lolle Nauta: Onbehagen in de filosofie.

Van Gennep, 206 blz. ƒ39,90