Trouw als een hondje

Het CS portretteert zeven personages uit J.J. Voskuils romanserie `Het Bureau'. Nummer 5: Lien Kiepe

Deze nemen we, zegt Maarten Koning direct na het sollicitatiegesprek met Lien Kiepe. Anders tot eindeloos (schijn-)overleg bereid, drukt hij dit keer stante pede zijn besluit door en daarmee is Lien documentaliste, medeverantwoordelijk voor het fameuze kaartsysteem van de afdeling volkscultuur van het Bureau en voor het tijdschrift Bulletin. Lien bevalt hem, want ze is `een beetje zoals Bart', maar `onbevangener, meer als Nicolien', wat haar maakt tot een combinatie van zijn meest rechtlijnige, favoriete collega en zijn even compromisloze echtgenote.

Maar Lien Kiepe is heel anders dan ze beloofde in die eerste indruk. Ze is Lien: altijd bevangen door twijfel, eeuwig verteerd door faalangst, vaak bijna of helemaal in tranen. Na vier jaar kwakkelen opgewaardeerd tot wetenschappelijk ambtenaar, raakt ze tenslotte permanent overwerkt, overgeleverd aan een eeuwige chaos op haar bureau en in haar mappen, verstrikt in verwarde aantekeningen voor dat ene artikel over het voorkomen van beschilderde meubelen in Nederland, waar ze jaren aan werkt.

Een waardeloze kracht is ze, maar Maarten houdt haar verregaand de hand boven het hoofd. Ze is niet langzaam maar nauwkeurig, meent hij en als ze een enorme achterstand in haar werk heeft, dan schuift hij dat naar een collega, want dan moet ze worden ontzien.

Ze is zo klein dat er voor haar een plastic krukje wordt aangeschaft, anders kan ze niet bij de bovenste laden van het kaartsysteem; ze is zo weinig geproportioneerd dat Beerta, Maartens voormalige baas, haar voor `een jongetje' verslijt. Ze is een en al gedienstigheid, wacht met haar mening tot hij de zijne heeft geformuleerd. Oftewel: ze is in alles anders dan al die agressieve nadrukkelijk vrouwelijke collega's op het Bureau. Maarten zal het zichzelf nooit toegeven, maar vanaf het ogenblik dat hij haar voor het eerst zag, is hij als een blok gevallen voor deze gamine. Als hij ontdekt dat ze een vriend heeft, werpt dat `een schaduw over zijn stemming'. Zegt ze dat ze boos op hem is dan gelooft hij dat gewoon niet, is er iets mis met haar dan hoort hij dat aan haar stem. Als hij ook maar de minste indruk heeft dat ze hem niet heeft verdedigd toen er over hem werd geroddeld, gaat hij bijna vechten. En wanneer ze na jaren toestemming vraagt voor een kleine studiereis naar Gent met een collega dan weigert hij die botweg, waarna hij, met de verongelijktheid van de jaloerse minnaar, de hele dag het gevoel het gevoel heeft `door iedereen in de steek gelaten te zijn.'

Lien heeft Maarten vanaf moment één vertederd: ,,Haar gezicht was vriendelijk en haar blik was argeloos, de blik van iemand die zich niet kon voorstellen dat de mensen haar kwaad zouden willen doen.' Zo beschrijf je geen mens, dat is een hond. Een klein hondje dat Maarten volgt, het liefst naast hem zit en snakt naar een aai. Een trouw diertje met wie hij graag even een ommetje maakt, bijvoorbeeld naar de bloemenmarkt, waar hij een rode roos voor haar koopt: ,,Hier, omdat je zo'n lief gezicht hebt.'

Op haar beurt wordt Lien alle jaren dat ze onder Maarten werkt, verteerd door een kalververliefdheid, die J.J. Voskuil consequent stoffeert met navenante meisjesboek-woorden en Joop ter Heul-scènes. Ze `talmt' voortdurend aan zijn bureau, krijgt steevast `een kleur' als hij in haar buurt komt. Ze laaft hem als hij thee wil, heeft een dropje klaar als hij moet hoesten: ,,Je mag het hele doosje wel hebben.' Ze komt tegemoet aan zijn stemmingen, helpt hem als de vergadering hem in het nauw brengt. En de enige keer dat zij, de aartsverlegene, een vuist maakt is het voor hem, wanneer iedereen hem na zijn VUT laat vallen en niemand hem nog op het Bureau wil zien.

Alles heeft Lien voor Maarten over. Ze is pas gelukkig als ze, om Jacques Brel te citeren, zijn schaduw kan zijn: l'ombre de ton ombre, l'ombre de ta main, l'ombre de ton chien. De schaduw van een hondje – als hij haar maar niet verlaat.

,,Maar als ik nou geen standpunt heb?'

zei ze verward.