Spanning stijgt in Zuid-Servië

In het zuiden van Servië, waar een Albanees `bevrijdingsleger' actief is tegen de Serviërs, stijgt de spanning. Boze Serviërs blokkeren alle doorgaande wegen naar Kosovo en Macedonië en een van de leiders van het nieuwe bewind in Belgrado drong gisteren aan op onmiddellijke militaire actie tegen het `bevrijdingsleger'.

Tienduizend Servische inwoners van het gebied langs de grens met Kosovo blokkeren sinds woensdag alle wegverbindingen tussen Servië en Kosovo. Zij eisen dat het bewind in Belgrado optreedt tegen het `Bevrijdingsleger voor Preševo, Medvedja en Bujanovac' (UÇPMB), dat – met steun van Kosovo-Albanezen over de grens – ijvert voor de aansluiting van het gebied bij Kosovo.

Zoran Djindjic, tweede man van het bewind van de Joegoslavische president Vojislav Koštunica en vrijwel zeker toekomstig premier van Servië, zei gisteren dat de crisis in het zuiden van Servië ,,de hele Balkan'' bedreigt. Het is volgens hem dringend nodig om ,,onmiddellijk en zonder compromis'' op te treden tegen het UÇPMB, dat volgens Djindjic van plan is terreuraanvallen te plegen rond 23 december, de dag waarop de Serviërs een nieuw parlement kiezen. Het UÇPMB heeft laten weten niet van plan te zijn de strijd te staken.

In verband met de gestegen spanning heeft de internationale vredesmacht zowel langs de grens tussen Kosovo en Servië als langs de grens tussen Kosovo en Macedonië geïntensiveerd. Een NAVO-generaal zei gisteren dat is gebleken dat een deel van de wapens voor het UÇPMB uit Macedonië afkomstig is en de rebellen via Kosovo heeft bereikt. De internationale vredesmacht in Kosovo, KFOR, onderschept soms wapenzendingen en manschappen die op weg zijn naar het UÇPMB. Gisteren werd in het noorden van Kosovo een busje staande gehouden met twaalf Kosovo-Albanezen. Volgens KFOR waren vijf van hen guerrillastrijders van het UÇPMB, op weg naar het zuiden van Servië.

Uit Kosovo komen steeds vaker klachten over druk van de kant van activisten van het UÇPMB. Zij zouden jonge Kosovaren onder druk zetten om dienst te nemen in het `bevrijdingsleger'; bovendien zouden ze geld eisen van Kosovo-Albanezen om hun activiteit te financieren.