Rondgang langs Giotto's erfenis

Padua heeft een grotere verzameling 14de-eeuwse fresco's dan bekendere Toscaanse kunststeden als Florence en Siena. In de stad is een parcours uitgezet langs werken van de schilder Giotto en zijn navolgers.

In de hel zoals Dante die zich voorstelde, loopt een schim rond met een dikke blauwe zeug op zijn witte geldzak. De dichter plaatste hem in de ring van geldwoekeraars, en omdat de big in het wapen staat van de rijke familie Scrovegni uit Padua, wordt hier waarschijnlijk Reginaldo degli Scrovegni bedoeld.

Dat was een beruchte gierigaard die leefde aan het einde van de 12de eeuw. Hij was kennelijk zo gehaat dat Dante voor hem een plaatsje inruimde tussen de bonte reeks personages in zijn Goddelijke Komedie. Maar Reginaldo's zoon Enrico heeft de familienaam gerehabiliteerd. Niet door wezenlijk anders om te gaan met geld – ook hij was bankier en zijn goede relaties met de plaatselijke bisschop zorgden voor veel clandizie –, maar door de grootste schilder uit die tijd, Giotto, naar de stad te halen om de familiekapel te versieren. Dat wordt als het startsein gezien voor een bloeiperiode van een eeuw die van de Padua `samen met Parijs het belangrijste culturele centrum van Europa maakte'.

De uitspraak is te vinden op de toelichtende borden bij een parcours door Padua dat is gewijd aan Giotto en zijn navolgers. Giotto veroorzaakte een revolutie in de schilderkunst door zijn personen menselijker te maken. Hij legde de eerste kiemen voor de renaissance. Ook Dante, die aan zijn Goddelijke Komedie begon toen Giotto net klaar was met de familiekapel, schrijft dat Giotto zijn beroemde leermeester Cimabue volledig overvleugelt.

Het logische startpunt voor de rondgang door Padua is de kapel van de Scrovegni's, ook wel Arena-kapel genoemd omdat hij is gebouwd op de plaats waar in de Romeinse tijd een theater was. De fresco's waarmee Giotto hier het leven van Christus en Maria vertelt, vormen het hoogtepunt van zijn werk en een mijlpaal in de kunstgeschiedenis. Wetenschappers discussiëren nog over de rol van Giotto in de Franciscus-basiliek in Assisi. Maar hier bestaat er geen twijfel aan dat de meester zelf er heeft gewerkt, tussen 1303 en 1305.

Deze prachtige cyclus wordt sinds een half jaar beschermd door een ingenieus systeem voor beheersing van temperatuur en vochtigheid. Bezoekers moeten eerst twintig minuten antichambreren voordat ze de kapel in mogen. Dat gebeurt in een glazen wachtkamer die een soort sluis vormt tussen binnen- en buitenwereld. Het experiment wordt met grote aandacht gevolgd. Dit systeem zou ook voor andere kunstschatten die worden bedreigd door vocht, stof en temperatuurschommelingen die mensen met zich meebrengen, een alternatief kunnen vormen voor volledige sluiting.

Giotto heeft ook elders in de stad gewerkt, onder andere in het Palazzo della Ragione, maar die fresco's zijn door brand verloren gegaan. De enorme impact die zijn nieuwe beeldtaal heeft gehad, wordt duidelijk op de andere etappes. De eerste is vlak naast de kapel van de Scrovegni's, het Museo Civico agli Eremitani. Een paar zalen van dit grote museum zijn ingericht met werk van navolgers van Giotto in Padua.

Hier is Guariento de ster, de hofschilder van de Carrara's. Deze familie had in 1318 de leidende rol in de stad overgenomen van de Scrovegni's, en wilde dat eveneens onderstrepen met een fraaie kapel. Guariento kreeg de opdracht en gaf op dertig houten panelen een overzicht van de hiërarchie onder de engelen. Om het beeld van vroeger zo goed mogelijk te reconstrueren, is een zaal ingericht met de maten van de kapel, vier bij ruim vijf meter, met hoog tegen de muren de zwevende engelen op Guariento's panelen.

Ook minder bekende schilders als Altichiero, Semitecolo (met een prachtige Madonna della Misericordia) en Giusto de Menabuoi, proberen de weg in te slaan die Giotto hen heeft gewezen. Zo ontstaat het rijke artistieke klimaat waardoor Padua nu een grotere verzameling 14de-eeuwse fresco's heeft, dan bekendere Toscaanse kunststeden als Florence en Siena. ,,In de veertiende eeuw was Padua het echte Florence,'' zegt de curator van de tentoonstelling, kunstcriticus Vittorio Sgarbi. ,,Padua is een virtuele encyclopedie van de veertiende-eeuwse schilderkunst.''

De rest van Giotto's erfenis is verspreid over de stad. Fresco's van Altichiero zijn te zien in het Oratorio van San Giorgio en in de Basiliek van San Antonio. Guariento heeft de wanden beschilderd van een oud paleis van de familie Carrara dat nu de Accademia Galileiana heet. Een absoluut hoogtepunt is het Baptisterium bij de Dom. De wanden daarvan zijn in 1380 door Giusto de Menabuoi volgeschilderd met fresco's die zijn gebaseerd op het Nieuwe Testament. De invloed van Giotto is hier overduidelijk: in plaats van stijve, gestileerde figuren, verschillend van grootte naar gelang hun belang voor het verhaal, heeft Giusto mensen geschilderd die je zo tegen het lijf kan lopen als je weer buiten staat. De figuren op de schilderijen zijn individuele persoonlijkheden geworden.

De bloeitijd van Padua eindigde in 1405, toen de stad onder het gezag kwam van het nabije Venetië. Een logisch slot van dit Giotto-parcours is vlak bij het begin, in de kerk van de Eremitani. Die werd zwaar gebombardeerd in 1944 – als door een wonder bleef de kapel van de Scrovegni's, nog geen honderd meter verderop, ongedeerd. In een kapel van de kerk zijn de beschadigde fresco's te zien van Andrea Mantegna uit het midden van de 15de eeuw. Dit is het laatste hoofdstuk in het verhaal over Giotto, en tegelijkertijd het eerste in dat over de renaissance.

T/m 2/4. Inf. 0039-049.8767923 of www.padovanet/apt