Muze, hou toch op met brallen

In Alexandrië werd de literatuur modern, dat wil zeggen: nutteloos. De poëzie werd er vernieuwd door Callimachus (Kallimachos), die de Homerische snelweg verruilde voor het geitenpad. Moeilijker begaanbaar, maar je ziet er veel meer.

Er zijn mensen die beweren dat de literatuur is uitgevonden in Alexandrië. En zij hebben niet eens helemaal ongelijk. Natuurlijk, er is sinds Homerus tot aan Alexander de Grote in het Grieks gedicht en geschreven en veel van de werken die dit heeft opgeleverd rekenen we tot op de dag van vandaag tot de allergrootste literatuur van het avondland. Maar hoewel wij de poëzie en het proza van de archaïsche en klassieke periode van de Griekse beschaving incorporeren bij de verzameling teksten die wij literatuur noemen, is het geen literatuur in onze zin van het woord. Want deze teksten zijn geen vrijblijvende vorm van individuele expressie die de lezer wil vermaken door hem te ontroeren, te stichten of te schokken.

Het zijn teksten die een goed gedefinieerde, openbare functie vervulden binnen het politieke en maatschappelijke kader van de stadstaat. Een ode van Pindarus is geen gedicht waarin de dichter de meest individuele uiting geeft aan de meest individuele emotie, het is de tekst voor een koorproductie die werd opgevoerd als onderdeel van de publieke huldiging van een atleet die een grote prijs had gewonnen. Zo'n tekst was door de atleet besteld en betaald en had een duidelijke functie. De opvoering van de ode symboliseert de dank van de gemeenschap voor de roem die de overwinnaar haar heeft gebracht en met de verspreiding van de tekst verspreidt zich de roem van de bezongen atleet.

Het oeuvre van Pindarus is geen uitzondering. Tragedies en komedies werden geschreven voor religieuze festivals. Veel gedichten van Alcaeus zijn protestsongs, bedoeld om te worden gezongen tijdens bijeenkomsten van de politieke partij waarvan Alcaeus lid was. De heldendichten van Homerus zijn voortgekomen uit een traditie van rondreizende barden, die van hoeve tot hoeve trokken om de landheer en de zijnen na het avondeten te vertellen over recente oorlogen en krijgers die daarin grote roem hadden behaald. De geschiedwerken van Herodotus, Thucydides en Xenophon vervullen later mutatis mutandis dezelfde functie. Zelfs de poëzie van Sappho, die op ons vandaag de dag de indruk wekt een hoogst individuele expressie te zijn van de meest particuliere emoties, is geschreven om te worden gezongen en een functie te vervullen binnen het kader van de activiteiten van een groep vrouwen op het eiland Lesbos.

In Alexandrië is de literatuur geworden zoals wij haar kennen: nutteloos. In Alexandrië heeft de literatuur haar functie verloren. Daar is zij autonoom en schriftelijk geworden. Dit heeft natuurlijk alles te maken met het wegvallen van de stadstaat als politieke en maatschappelijke eenheid. Na de veroveringen van Alexander de Grote was je geen burger meer met politieke rechten binnen een kleine, zelfstandige gemeenschap. Je woonde opeens in een wereldrijk, bestuurd door monarchen vanuit de hoofdstad die misschien wel vele dagreizen ver verwijderd lag. En daar moest je zijn, in de hoofdstad, als je ook maar iets wilde bereiken. In Alexandrië onstond een klimaat van patronage, waarin het hof voorzag in een financiële stimulering van kunsten en wetenschappen. Er werd een instituut voor in het leven geroepen, de `Muzentempel', Mouseîon in het Grieks. Geleerden en kunstenaars die zich een aanstelling aan het Museum wisten te verwerven waren bepaald te benijden. De koning garandeerde een royaal inkomen alsmede professionele faciliteiten en sociale privileges, waaronder gratis maaltijden, in ruil voor hun fulltime bestudering en beoefening van literatuur, beeldende kunst en wetenschap.

Geleerdenpoëzie

De literaire activiteiten van het Museum waren zowel wetenschappelijk als creatief. Om de Muzen behoorlijk te kunnen vereren was het in de eerste plaats van belang intensieve omgang te hebben met die werken waarin zij zich het meest evident manifesteren: de grote meesterwerken uit het archaïsch en klassiek Griekse moederland. Maar wetenschappelijke studie van de oude literatuur moest samengaan met de creatie van oorspronkelijke poëzie. Want wat is een Muzentempel zonder scheppende energie? Geleerden waren dichters en dichters geleerden. En wat zij schreven was een heel nieuw soort poëzie: virtuose geleerdenpoëzie, afgestemd op een lezerspubliek van gelijkgestemden. En deze poëzie had geen enkele andere functie dan het vereren van de Muzen. Dit komt dicht in de buurt van de glorieus nutteloze l'art pour l'art die wij literatuur noemen.

Onder de eerste generatie dichters die aan het Museum werden aangesteld, waren grote namen als Theocritus en Apollonius van Rhodos. Maar verreweg de invloedrijkste was Callimachus, de innovatiefste en de meest polemische van de Alexandrijnse dichters. Hij was het die de nieuwe poëzie richting gaf door een nieuw poëzie-ideaal te formuleren en te demonstreren. `Ik haat het cyclische gedicht, een grote weg / die velen transporteert bevalt mij niet', zo zegt hij aan het begin van een epigram. Callimachus vermijdt de literaire snelweg en zoekt het onbetreden geitenpad, al is het moeilijk begaanbaar. Aan het einde van zijn hymne aan Apollo zegt hij het zo: `De Afgunst fluistert stiekem in Apollo's oor: / ,,Ik haat hem die niet eens zoveel zingt als de zee.'' / Apollo schopte Afgunst met zijn voet en sprak: / ,,Wel groot is de Assyrische rivier, maar heel / veel slijk en afval voert hij in zijn water mee. / De bijen brengen Deo ook niet elk soort vocht, / maar slechts wat rein en zuiver opwelt, kleine drup / uit heil'ge bron, de allerhoogste kwaliteit''.'

De nieuwe poëzie, die Callimachus schrijft en propageert, moet boven alles subtiel zijn. Niks geen grote, cyclische heldendichten, die in duizenden gezwollen verzen brallen over de glorie van krijgsheren en koningen. Weg ermee! `Verwacht geen zang vol luid gedreun als mijn product: / de donder zend ik niet, want dat doet Zeus!' Een groot boek is een groot kwaad. Boeken zijn net als vrouwen: hoe slanker hoe beter. De dichter moet zijn als een krekel, een delicaat beestje dat leeft op lucht en dauw en dat een verfijnd getsjilp voortbrengt: `Laat anderen maar balken als 't langorig beest; / maak mij gevleugeld en subtiel poëet.'

De geschiedenis heeft Callimachus niet bijzonder vriendelijk behandeld. Om te beginnen is het overgrote deel van zijn werk verloren gegaan. Dit verlies is het meest pijnlijk in het geval van zijn magnum opus, het lange gedicht Oorzaken (Aitia), waar we weinig meer van over hebben dan een handje vol zwaar gemutileerde papyrusfragmenten. Het is een episodisch werk waarin op een schijnbaar losse en subtiele manier korte verhaaltjes aaneen worden geregen die verklaren hoe iets is ontstaan. Oorzaken markeert met zijn experimentele, postmoderne vertelstructuur een cruciale innovatie in de klassieke literatuur. Het moet een van de invloedrijkste literaire producten aller tijden zijn geweest. Het meest adequate beeld van de narratieve structuur krijgen we waarschijnlijk nog uit de meest geslaagde navolging: Metamorfosen van Ovidius.

Wat we wel over hebben van Callimachus' poëzie is in de loop der eeuwen niet altijd even enthousiast ontvangen. Callimachus is geen dichter om in je hart te sluiten. Daarvoor is hij te geleerd, te virtuoos, te geslepen en te irritant. Zijn intellectualistische subtiliteiten worden matig gewaardeerd in een klimaat waarin men van dichters verwacht dat zij op lekkende zolderkamertjes met hartenbloed hun meest individuele uitingen zitten te wrochten van hun meest individuele gevoelens. Maar nu onze eigen, moderne poëzie zich heeft ontworsteld aan dit romantische ideaal en weer speels, vals, dubbelzinnig en postmodern is geworden, is het misschien tijd om Callimachus een nieuwe kans te gunnen. Zijn lichtvoetige geleerdheid en pompeuze nutteloosheid staan vandaag de dag dichter bij ons dan in eeuwen het geval is geweest.

Veeleisend ambacht

De bloemlezing uit de ons overgeleverde poëzie van Callimachus die Annette Harder heeft vertaald en toegelicht is een kleine, maar representatieve selectie. Zij heeft haar best gedaan om de vormvastheid van de Griekse poëzie te bewaren door de gedichten te vertalen in jambische vijfvoeten of alexandrijnen. Dit is een loffelijk streven en de gekozen versmaat is goed, maar je moet een virtuoos dichter zijn om het compacte Grieks van Callimachus in soepele Nederlandse jamben om te zetten. Harder heeft het zichzelf moeilijk gemaakt en, hoewel ze vaak prachtig slaagt, is dat helaas ook soms te merken. Het is misschien flauw om over details te zeuren, maar wie hoog inzet heeft recht op de strengste maatstaf. Bepaalde verzen zijn zonder de toelichting niet te begrijpen: `Zie je het niet? De Deliër knikt plots verheugd, / de dadelpalm.' Nee, ik zie het niet. Behalve als ik in het Grieks kijk.

Te vaak zie je dat de jambische maat de leiding overneemt, zodat het Nederlands soms zelfs grammaticaal dubieus wordt: `Geen Perzisch lengtemaat bepaalt de kunst.' Soms wordt het lachwekkend: `niet vlocht zij in Amyklai bies.' Op andere plaatsen is het metrum juist weer zoek. Ik zie bijvoorbeeld niet hoe je het volgende vers op en natuurlijke manier als een alexandrijn zou kunnen lezen: `Wij, Vértreffer, zullen u zien, nooit zijn wij klein.' Of deze: `een voorwaarde voor huwelijk en ouderdom.' Dichten is een veeleisend ambacht, zo laten Callimachus en zijn vertaalster beiden op een andere manier zien.

Kallimachos: Geen zang vol luid gedreun. Een keuze uit de poëzie van Kallimachos van Kyrene. Inleiding, vertaling en commentaar Annette Harder (Obolos X),

Styx Publications, 109 blz. ƒ35,-