Met allure in de modder

Prins Maurits was geen sprookjesprins in fluweel, de historische aandacht maakte van hem een sobere Spartaan. De tentoonstelling in het Rijksmuseum toont hem wereldser en veelzijdiger.

In een vaker aangehaalde passage schreef Johan Huizinga ooit dat de zo geroemde Nederlandse 17de eeuw niet zozeer met goud als wel met hout en staal, pik en teer, verf en inkt geassocieerd moet worden. Hij doelde op kooplieden in hout en graan, op scheepsbouwers, reders en varensgezellen, schilders en drukkers: mannen van de praktijk die het fundament voor de rijkdom van die eeuw hebben gelegd. Een vergelijkbare uitspraak zou je kunnen doen over de vorstelijke elite van de Republiek. Hoe intelligent, gefortuneerd of internationaal georiënteerd de stadhouders ook mochten zijn, je brengt ze eerder in verband met klei en baksteen, dan met marmer, eerder met kruitdamp en de geur van paarden dan met fluwelen wambuizen en geciseleerd tafelbestek. Een verfijnde hofstijl, of een intellectuele hofelite zoals die in de omringende monarchieën of zelfs in de kleine Duitse vorstendommetjes bestond, was hier niet van nature aanwezig. De stadhouderlijke belangstelling lag eerder bij praktische wetenschappen, bij het militair bedrijf, bij paarden en jachtpartijen, bij fortificaties en tuinaanleg dan bij de samenstelling van een uitgelezen bibliotheek of een fraaie schilderijengalerij. De stadhouders nodigden liever een cartograaf, een molenbouwer of een andere `vernufteling' zoals de mannen van de praktijk werden genoemd uit, dan een filosoof, een musicus of een dichter.

De interessante tentoonstelling Maurits, prins van Oranje in het Rijksmuseum wil dat beeld wat corrigeren, althans voor wat deze Maurits betreft.

Het is eigenlijk een wonder dat die tentoonstelling er staat, want alles lijkt er tegen te pleiten. Wie, behalve beroepshistorici, een enkele bewoner van de Mauritskade of een Stadhouderslaan zou je hiermee kunnen bereiken? Maurits staat voor een verre oorlog en voor vrijwel onbegrijpelijk geworden politieke en theologische verwikkelingen. Bovendien was hij een stadhouder met een lelijke smet op zijn blazoen. Dat is volgens de inzichten van het marktdenken, dat ook zo sterk de museumwereld infiltreert, niet direct verkoopbaar. Toch heeft de afdeling Nederlandse Geschiedenis van het Rijksmuseum het aangedurfd om een tentoonstelling aan hem te wijden.

Maurits, graaf van Nassau, prins van Oranje (1567-1625) heeft vanaf de dood van zijn vader Willem van Oranje in 1584 tot aan zijn eigen dood in toenemende mate het politieke toneel in Nederland beheerst, als militair en staatsman. Twee cruciale data markeren zijn triomf en zijn tragiek. In 1600 versloeg hij op het strand van Nieuwpoort een Spaans leger. Dat bracht hem internationale roem, maar in feite was dit een incident in een lange reeks militaire successen. De tragiek kwam in 1618. Toen ontsloeg hij in een periode die bijna een burgeroorlog zou worden, politieke tegenstanders en liet hij een aantal opponenten gevangen zetten. Het jaar daarna werd een van hen, de raadspensionaris van Holland Johan van Oldenbarnevelt, ter dood veroordeeld door een partijdige rechtbank. Dat verschafte Maurits tot op de dag van heden een slechte naam.

Strateeg

De historische aandacht, of men nu voor of tegen hem was, heeft van Maurits een sobere Spartaan gemaakt, een behoedzaam strateeg, een man die leefde voor en met het leger en die geen belangstelling had voor cultuur of voor de meer ontspannen kanten van het leven. Dat heeft deels te maken met het tot voor kort ontbreken van historische belangstelling voor de hofcultuur in Nederland. De laatste jaren is daar verandering in gekomen. Er zijn tentoonstellingen gewijd aan Johan Maurits van Nassau `de Braziliaan', aan stadhouder Willem III, aan Fredrik Hendrik en zijn hofcultuur en aan de invloed van het Nederlandse hof op Duitse hoven waarmee de stadhouders vermaagschapt waren.

Er valt op de tentoonstelling in het Rijksmsueum veel te bekijken: schilderijen, waaronder talloze portretten, kaarten van vestingen en van de stadhouderlijke domeinen, militaria, zoals harnassen en modellen van wapentuig, gedenkpenningen, prenten van belegeringen en ook exotische voorwerpen die in deze jaren uit de oost en de west naar Nederland werden vervoerd. Veel is nooit eerder vertoond. De hele expositie is wat statisch ingericht; er zijn geen echte accenten gelegd, er is nauwelijks sprake van een `tentoonstellingsretorica' die je ademloos van de ene vitrine of wand naar de andere trekt. De teksten zijn niet altijd even goed leesbaar, maar al deze bezwaren nemen niet weg dat hier een geschakeerd beeld van het leven van Maurits wordt getoond. De catalogus met een reeks voortreffelijke essays, gebaseerd op nieuw onderzoek, is een mooie aanvulling op de onlangs verschenen biografie van Maurits door A.Th. van Deursen.

Hoewel de bezoeker niet een biografie voor ogen krijgt, is Maurits' ontwikkeling in grote stappen te volgen. Er is daarbij geprobeerd hem wereldser en veelzijdiger te maken dan het traditionele beeld wil. Minder sober en met meer hang naar luxe. Dat begint al met het portret van hem als twaalfjarige knaap: een pienter baasje in harnas, een pistool wat onwennig in de hand en een helm met vederbos, zoals het portretschema van die jaren het eiste, op tafel. Tien jaar later staat hij er, met zijn commandostaf, al zelfbewuster bij; hij is dan stadhouder en derhalve bevelhebber van leger en vloot. Hij is nu de motor achter de organisatie en uniformering van het leger en de modernisering van de vestingbouw. Maurits is een rijzende ster voor wie drie belangen het uitgangspunt van zijn handelen vormden: dat van zijn dynastie, dat van de Nederlanden en dat van de gereformeerde kerk. Wie op deze wijze met hem meedacht was zijn medestander, wie tegen die belangen inging was zijn vijand.

Vorst

De schilderijen en prenten tonen een zelfbewuste man en dat kon ook niet anders: deze portretten maakten deel uit van de stadhouderlijke propaganda. Maurits moest in het openbaar schitteren als een vorst, zowel om binnen 's lands zijn functie kracht bij te zetten en de indruk van onmisbaarheid te versterken, als ook om internationaal zijn status als machtigste man van de jonge Republiek uit te stralen, met de middelen die de kunsten hem aanreikten. Dat zou op grootse schaal gekund hebben gezien de bloei van de kunsten in deze periode. Het was de triomftijd van kunstenaars in Haarlem, Amsterdam, Utrecht, Leiden, Delft en Den Haag, de periode waaraan enkele jaren geleden de tentoonstelling De dageraad van de Gouden Eeuw werd gewijd. Toch heeft hij hier weinig gebruik van gemaakt. En hoewel de huidige tentoonstelling hem in cultureel opzicht wil rehabiliteren, lukt dat maar ten dele. Als Maurits al een culturele belangstelling had, dan kon hij daar weinig tijd en geld aan besteden. Hij verkeerde voortdurend te velde en had zijn handen vol aan het uitknobbelen van alweer een nieuw beleg. Erg vermogend was hij aanvankelijk niet. Hij was wel graaf, maar feitelijk nog geen prins, dat werd hij pas in 1618. Hij wist de schulden die zijn vader had nagelaten te saneren en we zien dan ook grote kaarten van de stadhouderlijke domeinen waar hij een deel van zijn inkomen aan ontleende. Pas toen begonnen er vorstelijke projecten van de grond te komen, maar toch vooral moderniseringen van bestaande gebouwen. Maurits vormt eigenlijk een tussenschakel tussen enerzijds zijn prachtlievende vader Willem en anderzijds zijn halfbroer en opvolger Frederik Hendrik, die werkelijk nieuwe projecten op ging zetten zoals nieuwbouw van paleizen en de aanleg van een verzameling schilderijen. Ontegenzeggelijk was Maurits bedreven in een aantal praktische wetenschappen en kunsten zoals wiskunde en vestingbouw. Maar het tikje extra cultuur dat deze tentoonstelling aan Maurits wil verbinden bestond toch vooral uit de verfraaiing van wat toch al nuttig was. Eerder uit een gouden rand om een militaire kaart, de aankoop van een pronkharnas of van een geschilderde portrettenreeks van zijn officieren, dan uit de opdracht voor een kleurig bloemstilleven, een van de nieuwe genres in de schilderkunst. Het is geen toeval dat een van de weinige gedocumenteerde opdrachten het portret is van het witte strijdros dat hij had buit gemaakt bij de Slag bij Nieuwpoort. Het werd geschilderd door Jacques de Gheyn II, die te horen had gekregen `dat de stadhouder 't wilde hebben gheschildert, so groot als 't leven'.

Luxueus

De staatsieportretten van Maurits, van jong tot oud, tonen hem op een waardige wijze, als militair in harnas, maar ook wel in burger, in verfijnde kleding. Die portretten hingen in zijn persoonlijke verblijven, in Den Haag en andere steden en in stadhuizen. Ze werden vaak gekopiëerd of in prent gebracht en vervulden zo een propagandistische rol. Een van de mooiste voorbeelden is het portret dat de Haagse schilder Adriaen van de Venne in 1618 maakte. Maurits stond toen op het toppunt van zijn macht. Zijn halfbroer Filips Willem was overleden en daardoor had hij de titel `prins van Oranje' verworven, een enorme opwaardering. We zien op dit kniestuk de prins in luxueuze kleding. Op zijn hoofd prijkt een hoed met een band met edelstenen. Dit schilderij maakte deel uit van een serie van drie waartoe ook portretten van Willem van Oranje en Frederik Hendrik behoorden. Dit portret heeft allure. Interessant is daarom het te vergelijken met een iets later vervaardigd schilderij, waarop die waardigheid gerelativeerd wordt. Dit nooit eerder geëxposeerde werk van de eveneens in Den Haag werkende schilder Esaias van de Velde is een van de vele verrassingen van deze tentoonstelling. Het stelt een bezoek voor van het Haagse stadhouderlijk hof aan de kermis van Rijswijk. We zien een druk dorpsplein vol kermisgasten. Een koets getrokken door vier schimmels domineert het rechterdeel. In die koets zitten Maurits en zijn broer Frederik Hendrik en verder de in ballingschap in Den Haag levende keurvorst van de Palts, bijgenaamd de Winterkoning, met zijn vrouw. Bovendien rijdt er nog een Duitse edelman mee. Het opvallende van de voorstelling is niet alleen dat deze vorstelijke voorstelling zich afspeelt op zoiets platvloers als een kermis, maar ook dat het met de publieke belangstelling nogal meevalt. Nu kwam de stadhouder wel vaker in Rijswijk omdat hij daar een stoeterij bezat en omdat zijn vriendin Margaretha van Mechelen daar woonde. Deze keer echter zaten in die koets zowel een koning en een koningin, als een prins, een graaf en nog een graaf. En erachteraan volgde nog een serie koetsen. Maar in plaats dat heel Rijswijk uitgelopen is om zich te vergapen heeft Van de Velde een onverschillig schare omstanders geschilderd. Van de naar schatting honderd afgebeelde mensen heeft alleen een handjevol goedgeklede burgers aandacht voor de stoet. Verder kijkt er haast niemand. Een hele groep is geobsedeerd door een soort verhalenverteller op een podium, een andere groep leest de nieuwsberichten die aangeplakt zijn aan een gevel. Zij staan allen met hun rug naar het vorstelijk gezelschap, anderen kijken geconcentreerd naar een vechtpartij tussen een aantal boeren en weer anderen kopen iets bij een kraampje of staan gewoon maar wat te kletsen. Links zit zelfs nog een mannetje zijn behoefte te doen, hij heeft letterlijk schijt aan de hoge heren.

Is dit een politiek protest van Van de Velde? Ik denk het niet. Hij maakte vaker de combinatie van het vorstelijke met het alledaagse, van de stadhouder en de boertige bewoners van het land. Hooguit zou het een vermaning tegen dikdoenerij kunnen zijn. Een houding die de stadhouder zelf misschien ook wel begrepen zou hebben.

Dit was geen land voor vorstelijke pretenties. In de politiek werden die onmiddellijk afgestraft. En voorzover die zich uitten in openbaar vertoon dan hing er toch een sfeer omheen van rauwe grollen en te veel rijnwijn. Welingelichte kringen rond het hof berichtten ook altijd over een behoorlijke mate van platvloersheid die de keerzijde van de hofetiquette vormde. Kenmerkend was dat de allure getemperd werd door praktische alledaagsheid. Het was de combinatie van modder en fluweel, van elegantie en gemoedelijkheid. Toch is dat buitengewoon vruchtbaar gebleken.

Maurits: Prins van Oranje. T/m 18 maart in het Rijksmuseum. De uitvoerige, rijk geïllustreerde catalogus (506 blz.) kost ƒ69,50.