Leven met de vrije slag

`Saul Bellow verwachtte niet anders dan dat er biografieën over hem zouden worden geschreven', zegt zijn zoon Adam in de nieuwe biografie van de meest prestigieuze en meest gelauwerde Amerikaanse schrijver. Maar Bellow heeft ook een `biografobie', een ziekelijke angst voor biografen, die hem levend ontleden met zijn dood als onvermijdelijk gevolg. ,,Ik beschouw mijzelf als een groeiende boom, en ik ben niet rijp voor de zaagmachine. Biografen zijn de schaduw van de grafsteen, vallend over de tuin.''

Dát er nu een biografie is van Bellow lijkt daarom opmerkelijker dan wát er staat in de dikke biografie, waaraan James Atlas twintig jaar heeft gewerkt. Atlas, voormalig hoofdredacteur van het New York Times Magazine en ex-redacteur van The New Yorker, was eerder de biograaf van de dichter Delmore Schwartz, een vriend van Bellow. Schwartz zouden we kunnen herkennen als titelpersonage in Saul Bellows roman Humboldt' s Gift (1975). Geen wonder dat Philip Roth hem suggereerde een biografie van Bellow te schrijven.

De nu 85-jarige Saul Bellow, in 1976 Nobelprijswinnaar voor literatuur, publiceerde dit jaar nog het geprezen en omstreden Ravelstein. Kort tevoren werd hij vader van zijn vierde kind, verwekt bij zijn vijfde echtgenote. Beide feiten staan vermeld in Atlas' biografie, die daarmee geheel up to date is. Maar naar de maatstaven van Bellow is deze biografie juist daardoor zo ontijdig. De schrijver leeft nog, zelfs gezonder dan voorheen. Hij plant zich nog altijd voort, geestelijk en fysiek, met boeken en met nageslacht. De boom Bellow bot steeds verder uit en draagt vrucht. Zijn zonnige tuin staat in bloei, zijn grafsteen is nog niet uitgehouwen.

Atlas' echtgenote is psychiater en schrijfster, zegt het `About the author' aan het eind van het boek. Zij is prominent aanwezig in de leken-psychiatrie die Atlas op Bellow toepast. In zijn biografie lijdt de schrijver niet alleen aan biografobie, maar is hij in tal van opzichten een geval. Bellow lijkt wel een patiënt, lijdend aan overmatig egocentrisme, onmachtig tot het instandhouden van huwelijken en vriendschappen.

Atlas grijpt zich kennelijk vast aan de beginzin van Herzog, waarin Moses Herzog zegt dat als hij gek aan het worden is, hem dat niet kan schelen. Herzog is een voorbeeld van hoe Bellow zijn omgeving kannibaliseert, zijn belevenissen, ex-echtgenotes, vrienden en kennissen verwerkt tot literatuur. In de visie van Atlas is Bellow daarin zelfs genadeloos, want hij geeft een vaak verwrongen, feitelijk onjuist beeld van de werkelijkheid. Of een te eerlijk beeld: in Ravelstein `beschreef' Bellow de inmiddels overleden Allan Bloom en `onthulde' zijn homoseksualiteit.

Pretentieus

Ondanks zijn `biografobie' werkte Bellow mee aan deze biografie, zij het in de marge. Atlas mocht lezen in zijn persoonlijke papieren, brieven, ongepubliceerd werk en de vele vroege versies van zijn boeken. Het gebruik daarvan vereiste wel Bellows toestemming. Die kwam uiteindelijk, tot Atlas' verrassing. Bellow werkte Atlas niet tegen bij het leggen van contacten met zijn familie, vrienden en kennissen, hij stond Atlas ook enkele interviews toe.

Maar die `medewerking' is geen `autorisatie'. Bellow heeft de biografie voor publicatie niet gelezen. En als hij dat inmiddels wel heeft gedaan, zal dat hem niet hebben genezen van zijn biografobie. Die bleek al eind jaren zeventig, toen Mark Harris vergeefs probeerde de `officiële biograaf' van Bellow te worden. Ruth Miller, een oud-leerlinge van Bellow, die in 1991 Saul Bellow; A Biography of the Imagination schreef, werd nog voor publicatie door Bellow voor het gerecht gedaagd en was gedwongen tal van als letterlijk gepresenteerde citaten te parafraseren.

Saul Bellow wordt door Atlas beschreven als een akelig moeilijke man, al te zelfbewust en overdreven pretentieus. Dat valt in de praktijk nogal mee. Toen ik in 1971 met een vriend door de Verenigde Staten reisde, mochten we na een paar telefoontjes en een telegram een middagje met hem komen praten. Dat gebeurde op zijn kamer in de University of Chicago, waar hij op post-doctoraal niveau literatuur doceerde aan het Committee on Social Thought.

In die extremistische Vietnam-tijd vroegen we de zo intellectuele schrijver van zulke gepassioneerde boeken over mensen in de Amerikaanse samenleving naar zijn maatschappelijke en morele taak. Die had hij niet, zei Bellow, boeken moeten gewoon goede kunst zijn. ,,Veel schrijvers denken macht te hebben als ze maar genoeg moraliseren. Voor hen is het engagement het belangrijkst, een noodzaak. Dat is gevaarlijk. [...] Ik ben er niet om de wereld te redden.'' Maar Bellow kritiseerde wel ,,de slechte Amerikaanse regering'' en vond kunst ,,het medicijn van de gemeenschap voor de ergste geestesziekte, de corruptie van het bewustzijn.''

Weer buiten de antieke rust van het neo-gothische universiteitsgebouw in Chicago, zagen we aan de overkant van het brede grasveld een van de schrikwekkend vervallen getto's van de stad, waarin Bellow was opgegroeid. Hij werd in 1915 geboren in Canada als kind van armelijke joods-Russische immigranten, die in 1924 verhuisden naar het veelbelovender Chicago.

Kolenhandel

Atlas' beschrijving van Bellows jeugd is een van de treffendste, beeldendste en onthullendste delen van de biografie. Men ziet, als in een Mid-West-remake van The Godfather, het joodse pendant van de Italiaanse immigrantengemeenschap in New York. Bellows vader scharrelde een inkomen bij elkaar, deels met wat diefstal en heling, soms door de politie achtervolgd. Bellows broers pakten het later iets groter aan vanuit de door hun vader gekochte kolenhandel, waar Bellow ook nog een tijdje werkte als administrateur, tot hij werd ontslagen, omdat hij in werktijd te veel las. Als kind wilde hij al schrijver worden.

Juist omdat de persoon Bellow en de auteur Bellow zelf zo onmiskenbaar tegelijkertijd aanwezig lijken in zijn boeken, is Bellow voor de biograaf bijna ongrijpbaar gecompliceerd. Bellow is een man van twee werelden, de nieuwe èn de oude. Zijn gedachten en die van zijn personages doorkruisen alle tijden. De beroemde energieke en vrijgevochten beginzin van The Adventures of Augie March `Ik ben Amerikaan, geboren in Chicago – Chicago, die sombere stad – en ik pak het leven aan zoals ik het mezelf heb geleerd, met de vrije slag [...]' wordt gevolgd door een beschouwelijke tweede zin: `Maar iemands karakter is zijn lot, zegt Heraclitus [...]'. Zo is hij, na die eerste lange zin waarin hij verderop ook nog de tale Kanaäns van zijn oude volk parafraseert, opnieuw 2000 jaar terug, maar nu bij de oude Grieken. Dat `lot' (daemon) dat zijn karakter hem verschaft, staat trouwens gelijk aan `goddelijkheid'. Augie March bevindt zich on top of the world.

Ook Bellow is his own man, niet de schrijver van gemeenplaatsen en van politiek-correct proza, niet in zijn romans en niet in zijn essays. Zijn inzichten wisselen of spreken elkaar tegen, hij kon zich laatdunkend uitlaten over zwarten. Atlas signaleert zelfs – `naar huidige maatstaven' – wat racisme, zoals in Mr. Sammlers Planet (1970). Maar de biograaf vergeeft het hem bijna genadiglijk – Bellow was immers zelf een jood in een achterstandssituatie. Nog lang is minachtend tegen hem en over hem geproken omdat hij als immigrantenkind nooit tot de echte literatuur zou kunnen doordringen. En over voor joden beledigende passages bij Hemingway en Scott Fitzgerald wordt immers ook niet gezeurd.

Atlas zeurt wel over tal van andere zaken. Hij heeft ongeveer alles over Bellow uitgezocht. De biograaf weet dan ook bijna alles beter dan Bellow zelf en corrigeert op hinderlijk fanatieke wijze allerlei her en der door Bellow fout gepresenteerde jaartallen en feiten. De biografie wordt beheerst door die gelijkhebberige, soms bevoogdende toon. Net zoals Nietzsche uiteindelijk de verafgode `god' Wagner àl te menselijk bevond, ontdekt Atlas steeds meer vlekjes en hoogst onaangename karaktertrekjes aan een kunstenaar, die zó belangrijk is dat hij een heilige moet zijn, quod non!

Moeder

Atlas weet ook waaraan het allemaal ligt: de dood van Bellows moeder, een traumatische ervaring voor de 17-jarige zoon. En Bellow was toen niet 16, zoals Moses Herzog zegt in Herzog, schoolmeestert de biograaf. Bellows moederbinding leidde volgens Atlas onvermijdelijk en rechtstreeks tot vijf huwelijken en een hele serie verbroken relaties. De huwelijksproblemen, de scheidingen en de lotgevallen van Bellows sociale netwerk, vullen goeddeels de biografie. Ze vormen in Atlas' visie ook de bron voor de personages en verwikkelingen in Bellows oeuvre, die hij gedetailleerd met elkaar vergelijkt.

Atlas levert een uiterst mager bewijs voor Bellows vermeende trauma. Twee mensen die vonden dat `er iets eenzaams' aan hem was na de dood van zijn moeder. Ook had hij extra behoefte aan gezelschap. Veel later zei Bellow zelf dat hij zich door de dood van zijn moeder tegelijk `losgelaten en bevrijd' voelde. Verder `bewijs' vindt Atlas in Herzog, waarin Moses Herzog door de dood van zijn moeder een `moederbinding' krijgt. Samen met nog wat meer van zulk soort `bewijs' traceert Atlas het fundament onder Bellows schrijverschap.

Zo ziet Atlas Bellows oeuvre vrijwel zonder enige restrictie als een soort autobiografie, waaraan hij zondermeer `feiten' en `inzichten' over Bellows leven mag ontlenen. En als de fictie niet klopt met de feiten zet Atlas dat recht, hoogst selectief. Bellows moederbinding wordt immers al op de eerste pagina van The Adventures of Augie March ernstig gerelativeerd: `Mijn ouders hebben niet veel voor mij betekend, al was ik wel op mijn moeder gesteld.'

Net als Bellow zelf is de ware Bellow-lezer niets menselijks en gênants vreemd. Hij heeft begrip voor Bellows biografobie, maar wil natuurlijk ook wel alle feitjes, roddel en achterklap over het onstuimige gebeurtenisrijke privéleven van zijn favoriete auteur weten. Atlas verschaft die in ruime mate. Op zijn slechtst is deze biografie niet meer dan een opgetuigde onbenullige scriptie. Maar op zijn interessantst is het een lezenswaardige weerspiegeling van wat Bellow met zijn zo openhartig lijkende boeken toch ook zelf uitlokt.

James Atlas: Bellow. A Biography. Random House, 687 blz. ƒ99,95/

Faber and Faber, 686 blz. ƒ71,95