Kamervoorzitter: ministers te traag

. Ministers en staatssecretarissen treuzelen soms te lang met het verstrekken van inlichtingen, als de Tweede Kamer daarom vraagt, meent Kamervoorzitter Van Nieuwenhoven. Zij sloot de laatste zitting voor het kerstreces gisteren af met een vermanende verwijzing naar artikel 68 van de Grondwet, dat zegt dat bewindslieden gehouden zijn tot het verstrekken van gewenste inlichtingen aan de Kamer.

,,Je krijgt soms het idee dat ministers denken: zolang het niet in een plenaire vergadering gevraagd wordt, hoef ik niet te antwoorden'', zei Van Nieuwenhoven vandaag in een toelichting op haar woorden. Zij laakt met name dat ministers en staatssecretarissen vaak treuzelen met het schrijven van brieven aan de Kamer, nadat de volksvertegenwoordiging gevraagd heeft om schriftelijke toelichting op het beleid.

De Kamervoorzitter zegt tot haar opmerkingen geïnspireerd te zijn door een column van de historicus A.Th. van Deursen in het protestants-christelijke Nederlands Dagblad. In zijn in parlementaire kring veel gelezen rubriek had Van Deursen de Kamervoorzitter ervan beschuldigd tijdens het wekelijkse, live op televisie uitgezonden vragenuurtje de Kamerleden kort te houden, terwijl zij om de vragen heendraaiende bewindslieden in bescherming zou nemen.

Van Nieuwenhoven ontkent dit ten stelligste. De Kamer hanteert ten aanzien van het vragenuurtje juist de laatste maanden een gewijzigde procedure, die de vragenstellers de mogelijkheid biedt de bewindspersoon scherper op de huid te zitten, bijvoorbeeld door hem of haar te interrumperen.

Dit is een proef die berust op een experimenteerartikel in het Reglement van Orde van de Kamer. De formele regeling van de mondelinge vragen voorziet thans slechts in een beurtzang van vragensteller en bewindsman.

Omdat de proef de afgelopen maanden heeft geleid tot een duidelijke verlevendiging van het vragenuurtje, denkt Van Nieuwenhoven dat het Reglement van Orde op dit punt nog dit parlementaire jaar kan worden gewijzigd.