Honda is heerlijke konijnenauto

Twintig jaar lang, tussen 1971 en 1991 bouwde Alpine de ideale konijnenauto's, de A310 en wat later de Alpine GT. Konijnenauto's? Als kind van het platteland waren Broeder en Zuster Dier in overvloed voorhanden en vooral haas en konijn waren een voortdurende bron van studie. Niet met een jachtgeweer maar door middel van een verrekijker. Geliefd konijn bestaat voor driekwart uit een gespierde achterkant. De rest is er maar een beetje aan vast geprutst: twee kleine pootjes, een smalle borstkas waarin een immer hevig kloppend hartje huist, een alerte kop en twee lange tot zeer lange oren.

Razendsnel op de eerste meters, onvoorstelbaar wendbaar en niet te kloppen in het zigzaggen. De Alpines zagen er ook zo uit, motor en aandrijving huisden in de gespierde, uitgeklopte achterkant. De achterwielen waren breder dan die aan de voorzijde. De hoge topsnelheid werd steevast afgestraft door het losraken en wegwaaien van allerlei onderdelen. Wat waren die auto's beroerd afgewerkt!

Dat kan niet gezegd worden van de Honda S2000, de Japanse variant op de konijnenauto. Het is een fraai en ingetogen vormgegeven auto, niet risicoloos retro ditmaal. De naamloze knutselaars hebben er iets bijzonders van gemaakt, in ontwerp en technische uitvoering. Amper vier meter lang en 1.20 hoog. Met de eerder aangehaalde forse billen en achterbanden en een spitse neus, waarin brutaal priemende oogjes achter plexiglas de wereld om respect vragen.

De zit is diep en donker, als was het een Japans bad. De vangrail zoeft op oorhoogte voorbij. De linkerarm rust op een armsteun met daarin de gebruikelijke knopjes voor ramen en spiegels, de rechter op een kokervormige middentunnel waarin zich, zoals het hoort, de aandrijving voor de achterwielen bevindt. Een kek schakelpookje voor de zes versnellingen voorwaarts en daarachter de radio, die met gestrekte vingers te bedienen is. Daarom verwondert me de indeling van het dashboard, met links van het stuurtje de rode startknop – the S-spot – en nogmaals een serie knoppen en toetsen voor dezelfde radio. Volstrekt overbodig en misschien uit wanhoop – we komen knoppen tekort! – op het laatste moment er ingeschroefd. Zoiets simpels als een klokje en de onmisbare olietemperatuurmeter ontbreken.

Rechts, waar de startknop had moeten zitten, bevindt zich het paneeltje van de airco. Recht voor me de zoveelste variant op het digitale dashboard. Dat doet me steevast denken aan de monitoren in een intensive care; de boogvormige toerenteller meet de bloeddruk, de hel oplichtende cijfers van de snelheidsmeter de hartslag. Een headup display in de voorruit had beter gepast bij het klaarblijkelijke verlangen om een zo simpel mogelijk dashboard te ontwerpen.

Er zijn ruwweg drie methoden om zoveel mogelijk vermogen uit een motor te halen. Veel cilinderinhoud, een of meer turbo's aan het blok monteren, of, zoals de ingenieurs van Honda al vijftig jaar proberen, de motor met een zo hoog mogelijk toerental laten draaien. 240 pk uit een roodgelakt tweeliterblok, dat is het resultaat van eindeloos schuren, vijlen en polijsten in het inwendige van het motorblok. Honderd kilometer per uur in zes seconden en een topsnelheid van tweehonderdenvijftig kilometer die urenlang volgehouden kan worden; een handjevol knaagdierenvoer, een wortel en een bakje met water voor onderweg zouden voldoende zijn om in drie uur tijd op uw wintersportadres te arriveren.

De linnen kap blijft dicht want het begint te regenen. Gezellig kampeergeluid is dat toch. Ik bekijk onszelf in de zijflank van een zojuist gewassen auto. Door de zwaar getinte ruiten en de diepe zit is alleen het bovenste deel van mijn toch forse hoofd zichtbaar. Ik voel me even Albert Camus aan het begin van zijn allerlaatste autorit. Een paar steeds sneller uitgevoerde rondjes om een rotonde overtuigen me van de skelterachtige wegligging. Niets rammelt, piept of gilt, het koetswerk helt amper. Wat accelereert deze vedergewicht geweldig! Tussen de zes- en negenduizend toeren trekt de motor het beste. Honda geeft drie jaar garantie op het geheel, dus ik geef er nog maar wat gas bij. Het geluid is dat van een cirkelzaag op een metalen plaat. En van Maria Callas in de Scala van Milaan.

Casta Diva uit de eerste akte van Bellini's Norma begeleid ik met het geluid van de motor. Op dit nachtelijke uur is er hier geen agent te zien want de meesten liggen al op één oor, hun lucratieve controle-apparaten ingevet tot morgenvroeg. Na enkele kilometers heb ik de juiste toon te pakken. Ik zwier en zwaai over de kletsnatte rijksweg, de kap toch maar naar beneden, want zo zijn de geluiden van het Japanse orkest het best te horen. Zeven minuten en vier seconden heb ik de mooiste stem van de wereld mogen begeleiden. Wat rauw in het begin, maar eenmaal op temperatuur hartverscheurend prachtig. East meets West op een nachtelijke strook ZOAB.