Het Ideale Gedicht

Een onderzoek naar Nederlands Ideale Gedicht leidde tot 3.200 inzendingen. En tot veel gewetensnood bij de inzenders.

`Wat is de ideale auto? Een jury bestaande uit Jos Verstappen, Koos Alberts, Toby Rix en Tineke Netelenbos zal naar aanleiding van uw aanwijzingen uit een meccanodoos de auto samenstellen en u uitnodigen voor een rondje IJsselmeer.'

Dit e-mailbericht, voorzien van een vragenlijst (`Uw ideale auto moet a] stoer zijn, b] rijden, c] bescherming bieden tegen de regen'), was een van de vele kritische reacties op de enquête Het ideale gedicht van Nederland, die anderhalve maand geleden onder meer in deze krant gepubliceerd werd. Onder auspiciën van Poetry International zou worden uitgezocht hoe het Ideale Gedicht van de Nederlander eruit moest zien; waarna ter gelegenheid van de aanstaande Landelijke Gedichtendag (25 januari 2001) elf dichters op basis van de enquêteresultaten een Ideaal Gedicht zouden schrijven. Het project was een literaire variatie op de `Most and Least Wanted Paintings'-onderzoeken van Komar & Melamid, het Russische kunstenaarsduo dat een paar jaar geleden met behulp van een telefonische enquête wist te concluderen dat het ideale schilderij van het Nederlandse volk een fijn geschilderd, niet heel realistisch doek was, in overwegend blauwe tinten en op het formaat van een krant of een tijdschrift.

De lijst met meerkeuzevragen over het Ideale Gedicht werd door meer dan 3.200 (!) lezers en websurfers ingevuld, maar dat gebeurde zoals gezegd niet zonder slag of stoot.

`Poëzie laat zich niet in hokjes stoppen' luidde een veelgehoorde opmerking, en één inzender voegde daaraan toe: `Tien domme vragen; het Ideale Gedicht is niet in proza te vatten.' Voor een andere poëzieliefhebber waren de vragen niet alleen te beperkt, maar ook te beperkend: `Vrijheid en ongebondenheid, een eigen stem, een oorspronkelijk thema, dergelijke eisen kun je toch ook stellen aan het Ideale Gedicht?'

Daar is geen speld tussen te krijgen. Maar de enquête was niet alleen een serieus onderzoek naar de poëzievoorkeuren van de lezende Nederlander – en daarmee een tijdsbeeld dat je, zoals veel lezers hebben opgemerkt, om de tien jaar zou moeten actualiseren – maar ook een spel, een opdracht in de beste rederijkerstraditie. En gelukkig waren de meeste inzenders volop bereid om mee te spelen. Sommigen vatten hun taak zelfs zo ernstig op dat ze bij het beantwoorden van de vragen in gewetensnood raakten. `Ik had vraag 6 met `ja' willen beantwoorden', schreef een radeloze invuller; `maar dat strookte niet met mijn antwoord (en uw interpretatie van ,,in free verse'') op vraag 7. Dus heb ik onder invloed daarvan vraag 6 met ,,neen'' beantwoord.' Iemand anders maakte bezwaar tegen het feit dat in de vraag naar het seizoen waarin het Ideale Gedicht zich dient af te spelen geen onderscheid werd gemaakt tussen het regenseizoen en de droge tijd: `In plaats van ,,in een niet nader aangeduid seizoen'' zou ik het Ideale Gedicht willen laten plaatsvinden aan het begin van de regentijd.'

Een bron van onvrede voor de inzenders was het verbod om meer dan één antwoord per vraag te omcirkelen of aan te kruisen. Vooral bij vraag 3 (Wat doet het Ideale Gedicht vooral?) en vraag 4 (Wat bevat het Ideale Gedicht in elk geval) was het moeilijk kiezen, zoals ook blijkt uit de onderstaande staafdiagrammen, waarin de resultaten van het onderzoek zijn verwerkt. Het Ideale Gedicht, zo luidde de kritiek, kan best tegelijkertijd ontroeren en tot nadenken stemmen, of humoristisch én weemoedig zijn. Een poëzieliefhebber verwoordde zijn commentaar op de strafheid van de enquête-etiquette in een puntdicht met de titel `Binair':

Bij de ideale enquête over een ideaal gedicht

klikt bij het openen van een vakje

direct een ander vakje dicht.

Overigens waren er veel mensen die bij wijze van PS bij hun inzendingen opmerkten dat het Ideale Gedicht al lang bestond; waarna ze een vers van eigen hand meestuurden of de titel noemden van een beroemd of juist obscuur gedicht: `Het Huwelijk' van Elsschot, Dantes `Divina Commedia', `Totaalgedicht' van Bart FM Droog. Sterker nog: er waren inzenders die schreven dat ze de vragenlijst alleen hadden kunnen invullen door een geliefd gedicht in gedachten te houden in welk geval het Ideale Gedicht dus samenviel met het favoriete gedicht.

Het is opmerkelijk dat de uitslag van de enquête naar het Ideale Gedicht niettemin hemelsbreed verschilt van die van het onderzoek naar Nederlands Favoriete Gedicht dat vorig jaar werd gehouden. Toen kozen lezers massaal voor gedichten als `De gestorvene' (Gerhardt, nummer 3 in de Top 15), `De tuinman en de dood' (Van Eyck, 6), `Tijd' (Vasalis, 10), `Het lied der achttien doden' (Jan Campert, 11), `Woningloze' (Slauerhoff, 13) en `Sterfbed' (Rawie, 15); waaruit mocht blijken dat de Nederlandse poëzielezers op zijn minst gefascineerd zijn door dood en vergankelijkheid. Uit de enquête naar het Ideale Gedicht komt naar voren dat maar 5 procent van de inzenders de dood als belangrijkste thema voor het Ideale Gedicht ziet (fig. 1). Bijna de helft koos voor `het raadsel van het bestaan', een thema dat op het eerste gezicht niet terug te vinden is in de vijftien populairste gedichten, maar dat tegelijkertijd zo algemeen is dat je het zelfs zou kunen lezen in `Herinnering aan Holland' (Marsman, nummer 1), `De moeder de vrouw' (Nijhoff, 2), `Vrede' (Vroman, 4) en `Het Huwelijk (Elsschot, 5).

De belangrijkste functie van het Ideale Gedicht blijkt bovendien wezenlijk anders dan die van de meeste favoriete gedichten. Schreef ik een jaar geleden naar aanleiding van de Top 15 van favorieten dat de poëzielezer in de eerste plaats troost zoekt, nu komt naar voren dat het Ideale Gedicht tot nadenken stemt (fig. 3); slechts 7 procent vond dat een gedicht vooral troost moest bieden. Ook de verheven toon die meer dan de helft van de favoriete Nederlandse gedichten kenmerkte, is onder de respondenten van de Ideale Gedicht-enquête weinig populair (fig. 4); weemoed en humor strijden om de eerste plaats. En terwijl bijna alle favoriete gedichten een strakke vorm hadden, kiest tweederde van de Nederlandse poëzielezers in het Ideale Gedicht voor free verse (fig. 7).

De conclusie moet zijn dat het Ideale Gedicht nog altijd niet geschreven is. Ziedaar de taak voor de elf dichters die zijn benaderd om aan de hand van de enquêteresultaten een gedicht te schrijven: Paul Claes, Anna Enquist, Ingmar Heytze, Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Ilja Leonard Pfeijffer, Simon Vinkenoog, Leo Vroman, Elly de Waard, Ivo de Wijs en Jan Wolkers. Zij wijden zich de komende maand aan een weemoedig en tijdloos gedicht over het raadsel van het bestaan dat tot nadenken stemt en waarin niets verboden is; een zwak-metrisch gedicht in free verse met een variatie aan rijm, geschreven in de ik-vorm en zich afspelend in een niet nader aangeduid seizoen. De Ideale Gedichten beleven hun première op Gedichtendag 2001 en zullen een dag later, op vrijdag 26 januari, in het Cultureel Supplement afgedrukt worden.

Komar & Melamid lieten het `meest gewilde schilderij' van het door hen onderzochte land steevast vergezeld gaan van het `meest verafschuwde schilderij'. Van ons kunt u het minst gewilde gedicht niet verwachten, maar het staat iedereen vrij om het in de kerstvakantie zelf te proberen. Want wie zou er niet benieuwd naar zijn: een leerzaam, verheven en actueel puntdicht in de jullie-vorm over dieren, met een strak metrum en veel allitteratie, dat zich afspeelt in de winter zonder het woord sneeuw te gebruiken?

Met dank aan Angelique Schut voor het verwerken van de enquêteresultaten.

    • Pieter Steinz