Het dorpsplein is voor iedereen

Het vroegere `publiek' bestaat niet meer. Iedereen kan aan elke maatschappelijke en culturele discussie meedoen. Dat is waar sommige intellectuelen niet aan kunnen wennen, meent Leon de Winter.

Ironie, dus. We hadden het niet begrepen: Kousbroeks bloedserieuze Satanstuk, dat een pagina met ingezonden brieven waard was, blijkt een proeve van ironie te zijn. Kousbroek verbaast er zich afgelopen week over dat zijn onder de hyperbolen zuchtende tirade niet als een fijnzinnige knipoog werd herkend. Om vervolgens het ironische spelletje van voor af aan te beginnen en opnieuw de Grote Satan de schuld van Alles te geven. Op het einde van zijn verweer onthult hij het ware gezicht van de Grote Satan: dat lullige, jongensachtige, wat onhandige en verlegen gezicht van de Devil In Disguise, Bill Gates himself!

Laten we eerst even de boel op een rijtje zetten. Hofland schrijft een reeks essays over het Heden, waar alles Erg en Oppervlakkig is. Kousbroek roept dat hij gelijk heeft maar dat het allemaal eigenlijk nog veel erger is. Grunberg reageert met een spotstuk en roept dat Kousbroek in Afghanistan thuishoort. Buruma legt uit dat Kousbroek zich vergist. En vorige week zegt Kousbroek dat hij verkeerd begrepen is maar dat hij het eigenlijk toch wel zo bedoeld heeft.

Kousbroeks Grote Satan-stuk was een om aandacht schreeuwende reactie op het uitblijven van reacties op Hoflands stukken. Het is Kousbroeks verdienste dat die stukken opeens wel naar het centrum van de aandacht werden gesleurd, maar hij deed dat met zoveel gepiep en gesteun dat de vorm de inhoud overmeesterde.

Waar gaat het om? Beide heren hebben het moeilijk met hedendaagse cultuurverschijnselen als entertainment, lifestyle, marktmechanisme, rendementseisen. Ze vinden dat kwaliteit aan winstbejag is geofferd, inhoud aan vorm, waarheidszoeken aan verstrooiingshobbies.

In een van zijn stukken schreef Hofland dat zo ongeveer alle activiteiten van de samenleving erop gericht zijn ,,publiek te trekken en dit tevreden te stellen'. Dit is een soort kernstelling in zijn betoog. Afgezien van de vraag of `het publiek' niet sinds mensenheugenis naar tevredenheid streeft, vergeet hij zich af te vragen of dat publiek nog wel voorhanden is.

Er ontgaat Kousbroek en Hofland iets fundamenteels. Wat zij als `het publiek' beschouwen bestaat al lang niet meer. Er bestaan individuen die soms groepen vormen met bepaalde kenmerken, dan weer andere groepsverbintenissen aangaan met weer andere kenmerken. De min of meer heldere indelingen in klassen, groepen, sociale en economische categorieën zijn niet meer van toepassing op wat zich op dit moment in de westerse wereld afspeelt. Juist de onmogelijkheid om `het publiek' te definiëren zag Kousbroek in zijn woeste stuk over het hoofd.

De heren verkijken zich op de symptomen. Big Brothers en Big Macs zijn verschijnselen van gemakzucht, maar nog geen honderd jaar geleden luisterde `het publiek' vooral naar de sprookjes van de sprekers op de kansels. Nog geen vijftig jaar geleden luisterde `het publiek' massaal naar stompzinnige radioprogramma's en vele honderden jaren lang lepelde `het publiek' vette stampot met reuzel, waarbij vergeleken een Big Mac een hap gezondheid is. Nooit heeft `het grote publiek' 's avonds bij Bruckner zitten zwijmelen terwijl het koesterend een roman van Huysmans op schoot hield.

Wat ooit het gewone publiek heette, welks waarden en normen nauwelijks zichtbaar werden in de krant en het boek – immers de dragende media van de voorbije burgerlijke cultuur – heeft zich nadrukkelijk via de beeldbuis naar de voorgrond van het `openbare debat' gedrongen. En via de beeldbuis terug naar uitgerekend de krant en het boek, de heiligdommen van de burgerlijke intellectueel. En het zette zijn opmars voort naar het internet en naar dat wat Hofland zo nijver opsomt: politiek, godsdienst, opvoeding, literatuur, handel, etc. Hofland schrijft de kwalitatieve veranderingen in die cultuurverschijnselen toe aan het hanteren van theatertechnieken door sluwe manipulatoren. Hij vergist zich. Het komt niet van bovenaf. Het komt van onderaf. In plaats van het `grote publiek' zijn er miljoenen via de beeldbuis en het internet meepratende individuen die voortdurend hun eigen keuzes maken, soms geleid door modes, grillen, de waan van de dag, soms door oeroude principes, achterlijke religiositeit, gezond verstand of eigenbelang. `De gewone man', niet meer gebonden aan zijn vroegere, meestal door professie en confessie bepaalde plek in de samenleving, in staat gesteld door hoogconjunctuur, `vrije tijd', en digitale technieken, kan volop meekakelen met de intellectuele elite.

De voormalige, onderdanige, gewone man is een zelfbewust individu geworden dat zich niet meer laten aanpraten dat de vertegenwoordigers van een lagere cultuur verder van de waarheid staan dan die van een hogere, die tot voor kort het leiderschap en het voorrecht om te bepalen wat goed en mooi is in pacht hadden. De nieuwe gewone man weet dat gecultiveerde beulen tot moord in staat waren terwijl ze naar Beethoven en Mozart luisterden. Intellectuele ernst en ultieme schoonheid hebben de mensheid niet van genocide kunnen vrijwaren.

Een paar weken geleden hoorde ik op de radio mensen over hun afkomst praten: een kappersgezin, een ambtenarengezin, een schoenmakersgezin. Dergelijke gezinnen bestaan niet meer. Want voor de meesten is werk niet meer doel maar middel geworden, `flexibele' werknemers die hun primaire identiteit en loyaliteiten niet meer in hun werk vinden.

Tot voor kort werden vooral intellectuelen, politieke leiders en voormannen van de Nederlandse maatschappelijke en confessionele stromingen in de elektronische media gehoord; nu kan iedereen zich laten horen in de naar `content' hunkerende media. Eén tv-kanaal met interessante programma's lijkt me al een onmogelijke opgave, laat staan tientallen kanalen. De techniek laat deze mogelijkheid tot veelstemmigheid ontstaan maar de groep mensen die iets verstandigs te beweren heeft, is niet dramatisch toegenomen. Dus klinkt er meestal onzin op de buis en het World Wide Web.

Het openbare debat, dat in de burgerlijke samenleving het voorrecht van de politieke, intellectuele en kunstenaarselite was en zich primair in de krant en via het boek afspeelde, is door de technische verbreding naar tientallen tv-kanalen en de oneindige veelvoudigheid van het WWW toegankelijk geworden voor Jan en Alleman. Wat ooit het exclusieve dorpsplein was van de burgerlijke intellectuele elite – en dat geldt zeker voor de kranten, de spreekbuizen van herkenbare maatschappelijke groeperingen met hun eigen spraakmakers – is opengesteld voor eenieder die over tijd, geld en techniek beschikt.

Dat is wennen voor de burgerlijke intellectueel, die het gewoon was gaan vinden dat het stil werd wanneer hij sprak. Het is lawaaierig geworden op het dorpsplein en alle stemmen lijken van hetzelfde gewicht, wat natuurlijk niet het geval is. Het bijzondere is dat onze egalitaire samenleving, vergeleken met de samenleving waarin een economische, confessionele of intellectuele elite bepaalde wat mooi en lelijk, goed en slecht was, voor de meerderheid niet onleefbaarder is geworden, integendeel, meer mensen hebben meer bestaanszekerheid, zijn hoger opgeleid, zijn beter over de wereld en wetenschappen (denk aan populair-wetenschappelijke tv-zenders als Discovery Channel) geïnformeerd dan welke generatie voor ons dan ook.

Het probleem van Kousbroek en Hofland is hun hardhorendheid; in de veelheid van openbare stemmen zijn zij niet meer in staat in de kwantiteit kwaliteit te herkennen. Grunberg overdreef het natuurlijk, maar hardhorendheid komt met de leeftijd. Op het vroegere dorpsplein stond slechts een handjevol, vaak academisch geschoolde retorici te ouwehoeren. Nu barst het er van het volk. Wie goed luistert kan nog steeds zin van onzin onderscheiden. Ik juich die veelstemmigheid toe. Ik juich toe dat het ooit in een hiërarchie gevangen publiek uiteengeslagen is in individuen die hogere eisen moeten stellen aan hun eigen, hoogstpersoonlijke verantwoordelijkheidsbesef, dat heden ten dage niet door God, Regent of Chef is bepaald maar het resultaat is van een moeizaam doorstaan beschavingsproces (dat zoiets glorieus als het burgerlijk fatsoen heeft voortgebracht), dan de uitvoerders die indertijd op bevel van hogerhand de slachtoffers naar het oosten vervoerden.

Omdat het zo druk is op het dorpsplein moet je opvallen om gehoord te worden. Ook de intellectueel zal op zijn kop moeten gaan staan of kunstjes vertonen teneinde niet te verdwijnen tussen de clowns. Mediacircus, heet dat tegenwoordig. Maar datzelfde gebeurde ook in de Franse salons of aan de Duitse hoven. Er zijn intellectuelen die het plein het plein laten en een categorisch néé laten horen. De Oostenrijker Thomas Bernhard vertikte het om interviews te geven of in tv-programma's te verschijnen. Het deed geen afbreuk aan de populariteit van zijn sombere, gecompliceerd gestructureerde boeken. En er zijn talloze anderen die hun rug naar het plein gekeerd hebben. Waarmee ik maar wil zeggen: eenieder heeft de keuze te participeren of zijn eigen regels te stellen. Dat is de basiswet van de Intertijd. Of, met andere woorden: vroeger kon in redelijke stilte naar redelijke stemmen geluisterd worden, nu moeten die redelijke stemmen in de kakofonie worden gevonden.

In zijn Satanstuk haalt Kousbroek het verwerpelijke verschijnsel `fast food' aan, alsof dat kenmerkend is voor het `veramerikaniseerde' publiek. Het is duidelijk dat hij de laatste tijd nooit een grote Albert Heijn of een La Place van V&D is binnengestapt en nooit in de Verenigde Staten uit eten is geweest. De kwaliteit van het voedsel en de breedte van het aanbod zijn de afgelopen twintig jaar, juist tijdens de zogenaamde Amerikaanse veroveringsgolf die alles zou barbariseren, in de hele westerse wereld toegenomen. Twintig jaar geleden kon je in Nederland, als je exotisch wilde eten, een bak Chinees hondenvoedsel halen. Nu heb je de keuze, van Thais, Japans, Peruaans, tot Marokkaans, Jemenitisch, Russisch of Perzisch. En datzelfde verschijnsel zie je in Amerika zelf, waar de `etnische' keuken in haar totale diversiteit al jaren een eigen plek naast de hamburger en de gevestigde Franse keuken heeft gevonden en de kwaliteit net zo hoog is als in de landen van oorsprong.

De hoofdstad van de Grote Satan is Los Angeles. Op een van de toppen van de Hollywood Hills staat het bekende `sign', symbool van de begrippen `entertainment', `pleasure', `having fun' die Kousbroek abject noemt. Op een andere top staat een van de indrukwekkendste cultuurtempels die de mensheid ooit heeft mogen aanschouwen, het Getty Museum. In het hart van Hollywood leidt de `walk of fame' naar de kitscherige bioscooppaleizen waar mensen `fun' kunnen hebben. In dezelfde buurt wemelt het van theaters waar het beste, meest traditionele, vernieuwende of experimentele toneel wordt opgevoerd dat heden ten dage kan worden bekeken.

Tegen het einde van zijn Satanstuk schrijft Kousbroek: ,,Jeugd! Jeugd! houdt niet van lezen, terwijl mensen die wel lezen eerder afhaken bij de oppervlakkigheden die ze nu voorgeschoteld krijgen.'

Het is een eigenaardige zin. Sinds wanneer krijgen mensen die lezen iets `voorgeschoteld'? Als een boek je niet bevalt ga je naar de boekwinkel, bij voorbeeld naar een van de schitterende Barnes & Noble boekwinkels die overal in Amerika staan. En natuurlijk, je moet niet bij de ingang staan zeuren over het gebrek aan kwaliteit en diepgang bij de rommel die bij de kassa's ligt. Nee, je gaat naar boven en kunt je hart ophalen bij de oude en nieuwe klassieken die in alle schoonheid op hun lezers staan te wachten. Je gaat zitten in een van de heerlijke fauteuils, waarin je net zo lang kunt lezen als je wilt (Barnes & Noble hebben de Nederlandse kreet 'lezen doet u thuis meneer' nooit gehoord) en je beseft dat je hier, temidden van Amerikaanse kwaliteitszoekers, de geest van de elite bij de staart hebt. En voordat je tevreden naar huis gaat (bij Barnes & Noble laten ze niets na wat hun publiek tevreden stelt) vindt iets plaats dat met commercie te maken heeft: de lezer koopt en de boekhandelaar verkoopt.

Deze tijd is niet oppervlakkiger dan de voorbije, het verleden is niet beter dan het heden.