EU-leiders haalden vele kleiduiven neer

Polen is nog (lang) geen volwaardig lid van de EU, maar het zou al wel een rol kunnen spelen in de voorstelbare combinaties die Europese beslissingen bruuskeren, de zogenoemde blokkerende minderheid. Zaak is wel dat de Polen hun inwonertal op peil houden, een voorwaarde die overigens geldt voor alle potentieel blokkerende landen. Er is in Europa demografisch gesproken werk aan de winkel. Deze krant heeft afgelopen dinsdag berekend dat er na Nice op grond van de bevolkingsomvang 37 combinaties van drie landen te vormen zijn die een besluit kunnen tegenhouden, waarvan 33 niet zonder Duitsland kunnen. Van de 86 mogelijke blokkerende combinaties van vier landen kunnen 38 niet zonder Duitsland. In die laatste categorie zouden behalve de Spanjaarden ook de Polen goede sier kunnen maken. De Polen zullen er van hebben opgekeken. Zij hebben wellicht gemeend dat zij in de Unie worden verwacht om gezamenlijk besluiten te nemen, niet om die tegen te houden.

Wat ook in Nice onduidelijk is gebleven, niet de vaste wil van de verschillende lidstaten om hun eigen deuntje ten gehore te brengen. Duitsland wilde met alle geweld een stem meer, de Franse voorzitter voelde er niets voor. Hij kreeg symbolisch zijn zin. Blair van het Verenigd Koninkrijk kon alleen maar thuis komen met een voortdurende impasse. Zijn wil geschiedde. Zweden was er blij mee. De Deense premier, persoonlijk een belijdend Europeaan, was er gezien de xenofobie in eigen land niet rouwig om. Spanje vocht als een leeuw om van de steun te mogen blijven trekken. Dat mocht. Hoe dat moet met de zorg voor de straks toetredende landen, is van later orde. En dan was er Nederland. De Benelux mag zich op grond van het gezamenlijke stemgewicht een grote mogendheid wanen, maar de daarvoor benodigde eensgezindheid was in Nice ver te zoeken. Een unieke kans om als leider van de kleinen op te treden en voor de goede zaak te strijden, liet Den Haag lopen om die ene, verder niet terzake doende extra stem binnen te halen.

Belangrijker dan het gevecht om stemmengewicht en blokkerende minderheden was de onmogelijkheid om het eens te worden over het vraagstuk van het opgeven van het vetorecht. Vooral daar voldeden de staats- en regeringsleiders in de verste verte niet aan de eigen opdracht vooruitgang te boeken. Het was zo helder: de aanstaande bijna verdubbeling van het aantal lidstaten vereist een ingrijpende stroomlijning van de besluitvorming. In het Europa van de Vijftien geldt in grote lijnen nog steeds de opzet van het Europa van de oorspronkelijke Zes. Ieder land heeft het recht om op terreinen van vitaal belang besluiten tegen te houden. In een Unie van straks 27 landen zou totale stilstand het gevolg zijn. Op meer gebieden dan tot dusver zou daarom met (gekwalificeerde) meerderheid van stemmen moeten worden beslist, en niet alleen waar het gaat om uitvoering van unaniem afgesproken beleid.

Er lagen ambitieuze plannen ter tafel: belastingen, internationale handel, sociaal beleid, structuurpolitiek, immigratiebeleid zouden voortaan deels of helemaal verschoond zijn van het veto van individuele landen. Het mocht niet zo zijn. Het was als bij een partijtje kleiduivenschieten: het ene voorstel na het andere werd neergehaald. Inderdaad. Met behulp van steeds weer een nationaal veto. De Britten willen geen Europese bemoeienis met hun belastingheffing, de Fransen verdedigen hun nationale filmindustrie, Europees sociaal beleid was bij menigeen taboe, kanselier Schröder beloofde het Duitse veto op te geven zodra er een Europese asiel- en immigratiepolitiek is. Voor de totstandkoming daarvan is unanimiteit vereist. En in Duitsland de medewerking van de Länder.

Ook op andere terreinen bleven de resultaten ver achter bij wat voorgenomen was. De grote landen zijn bereid hun tweede commissaris in de Europese Commissie op te geven. Maar dat was geen nieuws. Pas in 2010 moet nu een nieuw plafond worden gelegd. Dan zal er gerouleerd moeten worden. Een Commissie waarin de nationaliteit van de commissarissen geen rol meer speelt, is zelfs niet in abstracte vorm aan de orde. Toch zou die het logische vervolg zijn wanneer de lidstaten niet langer permanent een commissaris van eigen bodem kunnen claimen. Overigens: is een Europese regering van zeg dertig leden inderdaad topzwaar?

In het Europees Parlement is plaatsgemaakt voor de nieuwkomers. Maar tot uitbreiding van de parlementaire bevoegdheden is het niet gekomen. Alleen al de handhaving van het vetorecht van de lidstaten op tal van belangrijke terreinen is daarvoor een sta-in-de-weg. De bijziendheid van de regeringen kan niet beter worden aangetoond. Een uitgebreid Europa vereist niet alleen een gestroomlijnde besluitvorming, maar vooral een doeltreffende democratische controle. Het Europees Parlement moet verder worden gepolitiseerd, de belangrijke beslissingen moeten daar worden goedgekeurd opdat dit instituut voor de kiezer en over de nationale grenzen heen betekenis krijgt. De wel geopperde Europese Senaat, vertegenwoordiging van de nationale parlementen, zou een stap terug zijn in de geschiedenis. De lidstaten zijn al voldoende aanwezig in de Europese Raad en in de raden van ministers – die de potentie hebben om tot een Senaat uit te groeien. Intussen kunnen de bewindslieden zich in hun nationale parlementen verantwoorden.

Over vier jaar gaan de staats- en regeringsleiders opnieuw op herhalingsoefening. Wat in Amsterdam en in Nice bleef openstaan, zal dan alsnog moeten worden geregeld. Het is een vroom voornemen. Sinds Maastricht is in het Europese Verdrag bijvoorbeeld subsidiariteit opgenomen als richtsnoer van handelen. Dit begrip staat voor de aanname dat ieder politiek probleem een specifiek bestuursniveau heeft waar het optimaal geregeld kan worden: Europees, nationaal, regionaal of gemeentelijk. Het is vooral bedoeld als een rem op al te voortvarende europeanisering. Voor de Länder is het bovendien de gewenste beveiliging van hun prerogatieven binnen het Duitse federale stelsel. De Beierse regering toonde zich dan ook een van de weinige tevredenen met het resultaat van Nice. Er was wat de christen-socialen uit München aangaat geen man over boord gekieperd.

Na Nice zijn sombere voorspellingen gerechtvaardigd. Worden de Europese regeringen aan hun eigen woorden en voorwaarden gehouden dan dient in het logboek van de Europese eenwording een trieststemmende mislukking te worden bijgeschreven.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.