Eieren op het altaar

Henri Costerius, een ambitieuze priester die graag bisschop wilde worden, was in Rome geweest en teruggekomen met een indrukwekkende verzameling relikwieën, waaronder een van de dertig zilverlingen van Judas. Deze heilige voorwerpen stelden hem in staat mensen te genezen van duivelse aanvechtingen, pretendeerde hij. Dat gold speciaal voor vrouwen. Hij moest daarvoor een van zijn relikwieën plaatsen op de lichaamsdelen waar de duivelse verleiding zetelde. Soms verpulverde hij een heilig voorwerp en mengde hij de overblijfselen met as en wijwater tot een papje dat hij op het lichaam van jonge maagden smeerde, om te voorkomen dat de duivel bezit van hen nam. Hij ontkleedde trouwens allerhande vrouwen die bij hem kwamen biechten, getrouwd en ongetrouwd. Zijn favoriete methode van exorcisme bestond uit het plaatsen van zijn eigen tong in hun mond. Als vrouwen zich hiertegen verzetten, dreigde hij de geheimen die ze hem hadden opgebiecht openbaar te maken.

Deze zeventiende-eeuwse therapeut was een van de vele ook vierhonderd jaar later vaak nog herkenbare types die het pad kruisten van de hoofdpersoon van de historische studie A Bishop's Tale. Zij belichaamden het katholieke geloof in de periode dat de hoofdfiguur, Mathias Hovius (1542-1620), als aartsbisschop van Mechelen fungeerde. Het boek is aan Hovius gewijd omdat hij hun herder was, niet omdat hij een uitzonderlijke bisschop zou zijn geweest. Uitzonderlijk was hoogstens dat hij het tot bisschop had gebracht, want hij stamde uit een bescheiden milieu. Het was gebruikelijk dat bisschoppen werden gerecruteerd uit hogere sociale lagen, maar in de periode rond 1600 was uit elitaire kringen niemand bereid om de zorg voor het aartsbisdom op zich te nemen. In het boek wordt spoedig duidelijk waarom. Het opent met een scène waarin Hovius, nog gewoon priester, verstopt in een kleerkast een invasie van protestantse troepen in Mechelen tracht te overleven, terwijl de soldaten moorden en plunderen en vernielingen aanrichten in de kerken. Het was niet de eerste keer dat de stad het slachtoffer was van een dergelijke invasie en het zou ook niet de laatste keer zijn, in de woelige jaren van de Nederlandse Opstand. Het stadsbestuur wisselde enige malen van gezindheid, maar uiteindelijk kwam Mechelen, zoals de rest van de Zuidelijke Nederlanden, onder Spaans gezag en kon de reformatie van de katholieke kerk ter hand worden genomen.

Querulanten

Het boek verhaalt, in een serie aan plaats en datum gekoppelde scènes, hoe de bisschop zijn diocees bestuurde en trachtte te zuiveren van de misstanden die als voedingsbodem hadden gediend voor het protestantisme. Het verhaal van de bisschop wordt mooi verteld, niet zonder ironie, maar vooral met veel inlevingsvermogen. In elke kwestie wordt duidelijk gemaakt welke opties hij had, waarmee hij rekening diende te houden en wat de mogelijke beweegredenen van alle betrokkenen konden zijn. Zoals altijd draaiden veel kwesties om macht en geld en om de beheersing van lusten en driften. Hovius besteedde een belangrijk deel van zijn energie aan het bestrijden van concurrenten en dwarsliggers, veelal priesters en kerkbestuurders van de oude stempel, die door hun adellijke familie in een kerkelijke functie waren geparkeerd. De ernstigste querulanten onder hen liet hij zonodig opsluiten. Henri Costerus bijvoorbeeld, de man van de relikwieën, stierf in een kerker. Verder kende de bisschop vaak problemen met plattelandspriesters, monniken en nonnen die niet geheel volgens de voor hen geldende instructies leefden. Zo was daar de pastoor van Opwijk, die vond dat de boeren hem onvoldoende van hun oogst afstonden en daarom, in zijn priestersgewaad, met een hooivork over de schouder het land op ging om zelf zijn deel te gaan halen. Of de pastoor van Laar, die bij gebrek aan pastorie in de kerk woonde en zijn kippen eieren liet leggen op het altaar. De bisschop ontving van de kerkgangers te Laar de klacht dat zij tijdens de diensten werden bevuild door zijn rondfladderende duiven. De bisschop kreeg te maken met de kanunnik in Diest die bij het zingen in de kerk met zijn voet een moordend ritme stampte om zo snel mogelijk te kunnen terugkeren naar de kroeg. En met de pastoor van Etterbeek, die tegen een van de vrouwen die hij had trachten te verleiden had gezegd dat hij een priester was zolang hij bij het altaar stond, maar op alle andere plaatsen gewoon een man. Het viel niet altijd mee om dergelijke lieden ervan te overtuigen dat ze zich hadden te gedragen volgens de normen van het concilie van Trente.

De auteurs van A Bishop's Tale, de Amerikaanse historicus Craig Harline en de Belgische archivaris Eddy Put, hebben de geschiedenis van het verhaal van de bisschop deel laten uitmaken van dat verhaal. Ze hebben de lezer een blik gegund op het werk van de historicus, en vooral op de omstandigheden waaronder dat werk soms moet worden verricht. Op zoek naar bronnen komt de historicus op allerlei plekken – voor de hand liggende, zoals openbare archieven –, maar soms ook plekken waar de gang van zaken minder voorspelbaar is. Lang niet al het historisch materiaal dat wordt bewaard is geordend en geïnventariseerd, en dat kan zowel vondsten als teleurstellingen opleveren. Toen Harline en Put het archief van het aartsbisdom van Mechelen wilden raadplegen, kwamen ze terecht in een muf en vervallen gebouw, dat als huisvesting had gediend voor een seminarie dat ooit was opgericht door Mathias Hovius. Daar mochten ze het archief wel inzien, maar wat het precies bevatte werd hun niet verteld. Ze waren geheel afhankelijk van wat de onbezoldigde beheerder van het archief hen wenste aan te reiken en het was elke keer weer afwachten wat ze zouden aantreffen.

Zeloot

Op een dag kwam het dagboek van Mathias Hovius boven water. Daarin had de aartsbisschop bijgehouden waar hij was geweest, wie hij had gesproken en wat er was gezegd. Een opmerkelijke vondst, die het duo aanzette tot het schrijven van het boek. Toch speelt het dagboek niet zo'n grote rol in het verhaal van de bisschop. Het is ook een bron met beperkingen. Ten eerste bestrijkt het alleen de laatste jaren van Hovius' leven en bovendien gaat het om een typisch zeventiende-eeuws dagboek, dat wil zeggen een dagregister, met beknopte aantekeningen, waarin weinig valt terug te vinden van de gedachten en gevoelens van de auteur. Deze beperking is ook de beperking geworden van het boek van Harline en Put. De hoofdpersoon daarvan wordt nimmer van vlees en bloed. Hij is uitsluitend aanwezig in zijn functie, als de zeloot die met veel vasthoudendheid tracht misstanden in zijn diocees te corrigeren. Wat hij dacht of voelde, en of hij zelf wel eens last had van zondige aanvechtingen of zwakheden, blijft onbekend. Slechts een enkele keer komt hij als persoon tot leven, zoals in een gesprek met een nog strengere vriend, die hem ervan overtuigt dat het dragen van een zijden tabberd onnodige wereldse ijdelheid is. De vriend vindt ook dat hij zijn zilveren drinkbeker zou moeten verruilen voor een tinnen, maar dat vindt Hovius te ver gaan.

Natuurlijk gaat het Put en Harline in feite niet om de man zelf en is zijn leven slechts een ingang tot het vroeg-zeventiende-eeuwse katholicisme. Hun boek heet niet voor niets A Bishop's Tale. Maar hoewel de auteurs niet pretenderen een biografie te hebben geschreven, is een boek met een bordkartonnen hoofdpersoon toch niet geheel bevredigend. Er blijft desondanks genoeg over dat A Bishop's Tale de moeite waard maakt. Wat het boek vooral te bieden heeft, is een gedetailleerd beeld van de activiteiten van de bisschop en een inzicht in zijn beleid ten opzichte van wat hij beschouwde als misstanden, en daardoor in de manier waarop kerk en geloof in de praktijk functioneerden. Het verhaal bevestigt dat we religie in de zeventiende eeuw niet kunnen beschouwen als statisch of vastomlijnd. Dat geldt niet alleen voor de religie van de `gewone' gelovigen, maar ook voor die van bisschoppen. Het werk van een bisschop bestond niet simpel uit het opleggen van de normen van Trente. Het vergde voortdurend schipperen en onderhandelen, waarbij hij zowel met instructies vanuit Rome als met de plaatselijke situatie rekening diende te houden. Zijn religie was in die zin net zozeer eclectisch als die van de kudde waarover hij trachtte te waken. In dergelijke inzichten schuilt de verdienste van het boek, waarin Harline en Put via Mathias Hovius niet de persoon, maar wel het werk en het geloof van een bisschop op overtuigende wijze tot leven hebben weten te wekken.

Craig Harline en Eddy Put: A Bishop's Tale. Matthias Hovius Among His Flock in Seventeenth-Century Flanders Yale University Press, 387 blz. ƒ79,-