Een volkspartij verbrokkelt

PvdA-fractieleider Melkert zat begin deze week in het RTL-programma Barend en Van Dorp ongemakkelijk te kijken. De heren hadden `duidelijkheid' geëist over de vraag of de PvdA in 2002 verder wil met een paarse coalitie dan wel met het CDA, D66 en GroenLinks. De klok leek even 35 jaar teruggedraaid en Melkert leek even op een KVP-politicus uit die tijd. Hij zei dat hij eerst de politieke krachtsverhoudingen en de politieke situatie van 2002 zou moeten kennen en dat voor de PvdA alsdan geldt dat zij liefst regeert met partijen waarmee zij zoveel mogelijk van haar eigen opvattingen kan verwerkelijken. Dat was een logisch antwoord, al beviel het de vraagstellers niet.

Het was bovendien een antwoord zoals leidende KVP-ers, zeg iemand als Norbert Schmelzer, dat 35 jaar geleden zouden hebben gegeven. Een antwoord dat elke Nederlander die zich progressief noemde destijds zag als hét voorbeeld van de onduidelijkheid van de machtige confessionele centrumpartijen, die – in de wetenschap dat PvdA en VVD elkaar uitsloten – vóór de verkiezingen maar niet wilden zeggen of zij voor samenwerking met links of met rechts kozen.

In het gisteren verschenen tweede deel van zijn Geschiedenis van de Katholieke Volkspartij gaat J.A. Bornewasser (76), emeritus hoogleraar kerkgeschiedenis in Tilburg, natuurlijk ook in op zulke toendertijd heel ernstige, intussen nagenoeg vervlogen dilemma's. Meer nog: in dit afsluitende deel, dat de geschiedenis van de KVP van 1963 tot het opgaan van de partij in het CDA (1980) omvat, laat hij zien dat 's lands grootste partij (honderdduizenden leden, 50 Kamerzetels in 1963) onder Romme en Schmelzer weliswaar steeds `rechtdoor' wenste te gaan en niet naar links of rechts wilde kijken maar zich toch ook al heel vroeg zorgen maakte over haar politieke positionering.

Eind jaren vijftig al houdt de vraag `Hoe verder?' Romme bezig en de jaren zestig staan voor de brede volkspartij die in 1945 is opgericht als opvolgster van de Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP) steeds in het teken van kritisch zelfonderzoek. Kerkelijke partij of niet (niet dus), kern- of massapartij, al dan niet met sterke ledenparticipatie, of programmapartij – het zijn tot 1966 vraagstukken waarmee altijd wel de een of andere commissie worstelt.

Voorgekookt

Maar menens wordt het pas in 1966, het jaar dat het rooms-rode kabinet-Cals ('65-'66) in de `Nacht van Schmelzer' ten val komt. Dat jaar is volgens Bornewasser het echte begin van de jaren zestig, al ziet hij de destijds door velen als `verraad' getypeerde val van het geestverwante kabinet eerder als katalysator dan als oorzaak van wat er sindsdien in versneld tempo in beweging raakt in Nederland. Na twintig jaar herstel en wederopbouw in een nog verzuild land, grotendeels onder leiding van brede coalities van KVP en PvdA, tegen de zin van deze hoofdpersonen in 1958 geëindigd, stond een uitgestelde vernieuwing midden jaren zestig op doorbreken. Twee op rooms-rood volgende coalitiekabinetten met de VVD hadden – ook dankzij de machtspositie van de KVP – qua beleid trouwens nauwelijks iets doen veranderen. De KVP was in die tijd dan ook ruim tweemaal zo groot als de VVD. Er was enige welvaart ontstaan en daarom deden zich nieuwe verdelingsvraagstukken voor. Ontzuiling en deconfessionalisering begonnen een rol te spelen in een dankzij de naoorlogse geboortegolf enorm groeiend jong electoraat, dat met de televisie de wereld (Vietnam én de Nacht van Schmelzer) in de huiskamer gekregen had. De kurk moest langzamerhand wel van de fles knallen, is ook Bornewassers stelling.

De auteur heeft zijn studie (het eerste deel verscheen in 1995) gemaakt op verzoek van het laatste KVP-bestuur, dat in 1980 afscheid nam. Hij heeft de lotgevallen `van binnenuit' willen beschrijven. Dat betekent niet dat hij zuinig is met beschrijvingen van meningsverschillen in de partijtop of met soms komische details. Zoals een anekdote over Romme die vertrouwelijk stukken amendeert en vervolgens onder naam zo'n geamendeerde tekst vriendelijk beoordeelt. Een groter nadeel is dat Bornewasser schrijft uit het perspectief en de bronnen van het partijbestuur, en het optreden en de overwegingen van de KVP-Tweede-Kamerfractie grotendeels buiten beschouwing laat. Waar de KVP zelf formeel een dualisme tussen Kamerfractie en partij predikt, is dat extra spijtig. Soms klaagt hij dat van bijeenkomsten geen notulen gemaakt zijn, om lekkage te voorkomen. Wie zich nog het telefonische weekeindverkeer in de KVP herinnert, waarin vele dingen mondeling werden voorgekookt, vraagt zich af of de wèl beschikbare notulen de politieke werkelijkheid steeds geheel dekken.

Zo gezien mogen Bornewassers twee delen KVP-geschiedenis (690 en 779 pagina's, inclusief noten) wel zeer monumentaal heten. Maar, eerlijk is eerlijk, de auteur stapt in zijn tekst geregeld opzij om bredere schetsen te geven van de veranderende politieke en maatschappelijke omstandigheden. Die schetsen vallen trouwens ook op door een wat levendiger schrijftrant, de rest van het boek, dat heel veel documenteert maar niet zoveel nieuws brengt, wordt met de term `feitelijk-droog' geen onrecht aangedaan.

Mondigheid

In een van die lange schetsen maakt Bornewasser duidelijk hoe en waarom de KVP na 1966 in zes jaar tijd haar parlementaire kracht praktisch gehalveerd zag (van 50 tot 27 zetels) en honderdduizenden leden verloor. Naast ontzuiling en deconfessionalisering en de overgang van harmonie naar conflict telt voor het meerstromenland dat de KVP was het zogeheten Pastoraal Concilie ('66-'70). De Nederlandse kerkprovincie was op weg naar ingrijpende heroriëntaties, die veel Nederlandse katholieken tot een ongekende mondigheid zouden brengen. De toegenomen welvaart én de baten van de grote gasbel hadden bovendien voor andere financiële en budgettaire noties gezorgd.

Het laatste kabinet-Drees was in 1958 ten val gekomen doordat rekenmeester Lucas namens de KVP-fractie in de Tweede Kamer met een versoberings-amendement PvdA-minister Hofstra (Financiën) zó de boom in had gejaagd dat Drees, mede gezien de onrust in de linkervleugel van de PvdA, een crisis niet meer kon keren. Acht jaar later tergde Lucas' leerling Notenboom via de motie-Schmelzer PvdA-minister Vondeling (Financiën) op een vergelijkbare manier, terwijl ook toen binnen de PvdA nieuwe (`nieuwlinkse') fakkeldragers opstandige geluiden lieten horen. In zekere zin stond Notenboom in 1966 nog in de jaren vijftig en Vondeling al in de jaren zeventig en tachtig, decennia waarin Nederland zijn financiële maat stevig zou overschatten. Iets van zo'n, wat de geldende mode betreft gedateerde, neiging tot budgettaire versobering vertoonde ook de laatste KVP-minister van Financiën, Andriessen, toen hij voorjaar 1980 aftrad wegens onvoldoende steun voor zijn saneringsplan `Bestek-'81'.

Afgezien van het anderhalfjarige intermezzo van het kabinet-Cals/Vondeling zou het van 1958 tot 1973 duren voor links in het kabinet-Den Uyl weer aan regeren toekwam. Voorjaar 1967 had niet alleen de KVP een zware verkiezingsnederlaag geleden (van 50 naar 42 Kamerzetels) maar ook de PvdA (van 43 naar 37), die zwaar getraumatiseerd naar het wapen van de politieke polarisatie greep. De KVP raakte in grote interne verwarring en discussieerde zich een ongeluk in vele gespreksgroepen en commissies. Zij kwam publicitair zwaar onder vuur te liggen van haar `eigen' media, waarbij soms eigensoortige dubbelrollen waren te zien. Zo was parlementair redacteur Faas (Wandelganger) van De Volkskrant tot 1970 actief als lid én als kriticus van de KVP en was de voorzitter van de kritische KRO, de latere PPR-minister Van Doorn, ook lid van de Tweede-Kamerfractie en het partijbestuur van de KVP.

Over de richtingenstrijd binnen de KVP tussen 1966 en 1971 is Bornewasser zeer uitvoerig. Niet de radicalen, niet de jongeren of het Democratisch Centrum Nederland, maar de partijtop wint met haar voorkeur voor een christen-democratische partij waarin KVP, ARP en CHU elkaar op de een of andere manier moeten vinden. Een decennium later is het zover, na vele ingewikkelde exercities over de voorwaarden, de grondslag en de politieke richting van wat het CDA moest worden. Vooral de ARP-leiding houdt haar voet geregeld op de rem. Conferenties, conferenties in plaatsen waarvan de namen kleine stapjes vooruit moeten markeren en waar CDA-architect Steenkamp steeds als glunderende millimetervreter optreedt: van de ene chicane naar de volgende: Drachten, Dronten, Woudschoten, Hoogeveen etc. Bornewasser is onverbiddelijk en slaat niets van deze feestelijkheden over.

In die kwart eeuw sinds de val van het kabinet-Cals is veel gebeurd, al was dat soms minder dan velen destijds dachten. De PvdA heeft aan de vorming van het CDA flink bijgedragen door zich suf te polariseren tegen het confessionele centrum, van de anti-KVP-resolutie in 1969 en het `ononderhandelbare' Keerpunt '72 tot de rakettenkwestie in de jaren tachtig. Per saldo is niet de PvdA maar de VVD geruisloos de grote begunstigde van die polarisatie geworden. De PvdA is nog steeds kleiner dan in dagen van Drees. En het CDA kan slechts dromen van de 50 Kamerzetels die de KVP een kwart eeuw geleden nog alléén had. En dat alles weet PvdA-kroonprins Melkert ook.

J.A. Bornewasser: Geschiedenis van de Katholieke Volkspartij, deel 2. Heroriëntatie en integratie (1963-1980).

Valkhof Pers, 779 blz. ƒ95,–