Een psychische kernfusie

De negentiende eeuw staat bekend als saai, ook al was het een grootse eeuw, met scherpe contrasten en immer dreigende ontploffingen. Pieter Stastok heeft nooit bestaan, Bismarck wel.

Hoe de geschiedenis onder onze blik verandert, hoe de mentaliteit van het verleden meegroeit of meekrimpt met onze eigen mentaliteit, het is een verhaal met haken en ogen. De empathische kijk, de actualiserende kijk – ze kennen allebei hun voordelen en onrechtvaardigheden.

Dan roepen we weer dat het buitenland zich mag beroemen op Hölderlin en Heine, Keats en Shelley, en dat Nederland het moet stellen met Oosterwijk Bruijn en Tollens. Een stokpaardje waar ik liever nooit meer van horen zou. De Nederlandse literatuur wordt binnen de Europese gezien als een literatuur waar het niet normaal toeging. Toch is er niets meer aan de hand dan het feit dat we dichterlijk even geen bloeitijd kenden. Van niet meer belang dan het feit dat we in de achttiende eeuw weinig grote schilders kenden, terwijl we er in de zeventiende weer veel van hadden.

De Nederlandse poëzie in de negentiende eeuw was gegijzeld door een belangengroep die er niet in de eerste plaats op uit was knusse poëzie te scheppen, maar die bewust en uit overtuiging een politieke en morele strategie volgde: antirevolutionair, fundamentalistisch, hiërarchisch. Het kan een heel boeiende poëzie worden, als we er maar met een ander oog naar kijken. Een groot deel is kwalitatief onder de maat. Toch kunnen we er nog altijd eindeloos veel uit leren over die tijd. De negentiende-eeuwse poëzie is nu uiterst belangwekkend, misschien juist omdat ze zich bevond in een gijzelpositie.

De slaperigheid van de negentiende eeuw was een sjabloon – waarachtig niet alleen in Nederland. Saaiheid was het eerste waar je aan dacht. Pluche in het algemeen, domineedichters bij ons. Elk argument van gezapigheid vervluchtigt onmiddellijk door het rijtje namen Schopenhauer en Nietzsche, Rossini en Wagner, Pasteur en Fröbel, Volta en Ohm, ad infinitum. Titels kan ik ook noemen. Torpedo War and Submarine Explosions (1810), Manifest der Kommunistischen Partei (1848), Uncle Tom's Cabin (1852), Licht- en schaduwbeelden uit de binnenlanden van Java (1854), Alice in Wonderland (1865). Ad infinitum. Het is welbeschouwd een wonder dat het beeld van een gezapige negentiende eeuw ooit enige kans gemaakt heeft zich te nestelen.

Er kwam na de achttiende eeuw een lelijkheid op die de norm werd – en dus weer schoonheid. Eclecticisme, pluralisme, neo-stijlen, zulke omschrijvingen. Een grondige, maar geleidelijke verandering binnen de algemener verschuiving van neo-classicisme naar Art Nouveau. Hang in gedachten eens een David naast een Mucha – lichtjaren binnen een eeuw. Het is als de gemeenschappelijke noemer zoeken van Isaac da Costa en Oscar Wilde.

Alles was zo gigantesk en grootschalig. De glasarchitectuur, de enorme uitvindingen, het Suezkanaal, de omspanning van de wereldbol met spoorrails. Ik zie foto's van wereldtentoonstellingen voor me (sinds 1851 georganiseerd), waar Krupp-kanonnen staan opgesteld tussen dikke gordijnen. Ik zie gravures voor me met reusachtige ijsschotsen. Ik zie nooit kalotjes, slaapmutsen en Pieter Stastok, ik zie turbomotoren, torpedoboten en Niagara-watervallen. Rotatiepersen, honderd-en-tien op een rij.

Ook de menselijke gestalten maken een meer dan levensgrote indruk. De vrouwen zijn allemaal veel voller en de gekken veel gevaarlijker in hun gigantische gekkenhuizen. Reuzen stonden aan het hoofd van de fabrieken, reuzen voerden de legers aan. Victoria en Bismarck waren figuren die alleen als bronzen standbeelden voorstelbaar waren.

Oorlog en dood zijn sleutelwoorden. De dood op de barricaden van de grote en kleine revoluties. De dood op het slagveld – Krimoorlog, Boerenoorlog. Bloed, veel bloed. De dood op de kerkhoven en in de alkoven. Ik zie een wenende engel van marmer op een kindergraf. Ik zie een serie jonge, bleke zelfmoordenaars op litho's van Alexander Ver Huell.

Kortom, de negentiende eeuw is geen eeuw om meewarig over te doen, maar om er je mouwen bij op te stropen en te roepen: Kom op, als je durft! Een overweldigende eeuw die je geen kans geeft in slaap te vallen.

Als een massieve zeppelin hangt die eeuw in tussen de Franse Revolutie en de Eerste Wereldoorlog. Aan de negentiende eeuw zelf blijven de talloze kleinere ontladingen voorbehouden. Er staan zoveel beelden op je netvlies, er hurken zoveel associaties in je hersenbureau. Als ik het onder één begrip moet samenvatten, dan is dat wel het begrip: catalogisering. De wereld werd een encyclopedie.

Brockhaus' Conversations-Lexicon dateert van 1812-1819, Chambers' Encyclopaedia van 1860-1868, de Grand Dictionnaire Universel van Larousse van 1864-1876, de Winkler Prins van 1870-1882. Ondernemingen als de Oxford English Dictionary, het Woordenboek der Nederlandsche Taal, Grimm's Das Deutsche Wörterbuch, op de meest uiteengelegen plaatsen kwam iedereen op hetzelfde idee.

Duizenderlei zijn de verschijningvormen van de negentiende-eeuwse opsommingdwang. Bibliograaf is een der oudste beroepen, maar nu verschenen er ook bibliografieën van de zonderlingste onderwerpen. De laatste witte plekken in de bibliografische wetenschap werden opgevuld. Ik noem met volstrekte willekeur de bibliografieën van scatologische werken, van boeken waarin overspelige en wellustige priesters, bisschoppen, kardinalen en pausen een rol speelden, van boeken die de Kus behandelden. Luilekkerlanden werden gecatalogiseerd. Inventarislijsten zijn emblematisch voor de tijd. De classificatiedrang van Pennewip en de schijnbare chaos van het pak van Sjaalman zijn twee loten van dezelfde tak.

Romans en verhalen die op een of andere manier, bewust of onbewust, geassocieerd konden worden met het vullen van gaten en hoeken genoten grote populariteit. Systematische reizen op de vierkante centimeter, in de trant van de Voyage autour de ma chambre, waren er voor alle smaken en in alle formaten. Gedichten over kleine, banale dingen waarvan we er in de Nederlandse poëzie van de negentiende eeuw zoveel hebben, zoals De Lof der onderdeur, Ode aan mijn schommelstoel of Ode aan de doorgebroken tand, kan ik nooit anders dan in dit licht zien. Hier werd helemaal geen knusheid beoogd, hier was de incorporatie in het geding van het laatste detail. Een streven naar compleetheid.

De ideale cursus voor een begrip van de negentiende-eeuws poëzie blijft Flaubert's Bouvard et Pécuchet. Zonder het lezen van dat boek is er eigenlijk geen begrip mogelijk.

We mogen het spontane plezier dat de negentiende-eeuwers beleefden aan hun opsommingen niet vergeten. De volgende regels zijn uit Longfellow's The Song of Hiawatha in de vertaling van Guido Gezelle – een gedicht waar ik als jongen al verzot op was, want af en toe las ik wel iets in een van die boeken.

Beken, land en weiden dwerschend

kwam al 't weerbaar volk te zamen,

kwamen Delaweers en Mohawks,

kwamen Tsjoctaws en Camantsjies,

kwamen Shoshonies en Zwartvoets,

kwamen Pawnies en Omahaws,

kwamen Mandans en Dacotahs,

kwamen Hurons en Odjibways,

't weer- en 't wijgvolk, al te samen

op het teken van de Paaispijp,

naar de bergen, diepe in 't gersland,

naar de Roode Pijpsteenbanken.

Dat is niet alleen poëzie, dat is ook het ritme van de onverstoorbaar zwoegende stoomlocomotief. Massief.

Horror vacui, dus. Het is al zo vaak gezegd, maar we kunnen er niet om heen. Horror vacui in de drukkunst (wat betekende die overdaad aan lettersoorten, bandstempels en tekstkolommen anders?), horror vacui in de schilderkunst. Telkens weer die reeks van luchters, kralen, waaiers, palmen, kwasten, antimakassars, kalebassen, medaillons, tapijten, stiksels, piëdestals, lambriseringen, krullen, pompoenen, gedraaide poten, gedraaide armen, snuisterijen, potten, veren en étagères.

Ik had het over een idee dat mij lief was – de idee dat de negentiende-eeuwer zich wilde verliezen in de volte. Wie weet was het zijn diepste droom wel om het vacuüm zó te vullen, om de materie zó te vermenigvuldigen, dat de mens geannihileerd kon lijken, uit de staat van zijn pijn verlost. Hij wenste de stof te beheersen en in de stof op te gaan om uiteindelijk – symbolisch, reëel of theatraal, doet er niet toe – zelf tot stof te worden. Zijn inventarisatiedwang is sterk verweven met de erotiek.

Waar angst voor de leegte is, is leegte. Waar zoveel zucht naar ordening heerst dreigt véél chaos. Er heerste een grote huivering voor ontbinding. De ontbinding was gaande op allerlei terreinen. Een sterke mix van politiek en erotiek roerde zich in het bewustzijn en het onderbewuste van de negentiende-eeuwer. Leegte is er altijd, maar het was voor de eerste keer dat door zovelen tegen zoveel leegte werd aangekeken. Wat de chaos en de volheid uitwiste, toen, was niet de uitwaaiering, de ontlading, de ejaculatie, niet het wit, maar de nacht. Het hiernamaals had een aardse opvolger gevonden in de utopie, de hel speelde zich in de echte duisternis af. Er was op het platteland ook geen elektriciteit, dat hielp.

Dracula en Frankenstein zijn typische negentiende-eeuwers. Nocturnes, Nachtstücke. Het `dubbelzinnige gevogelte van de nacht', klapwiekende Goyescos. In de nacht verdwijnt de orde, in de nacht verdwijnt de ordening.

De nacht, ook dat is een aspect waarover we in de Nederlandse literatuur vaak te veel heen lazen. Pas in de laatste decennia kwam daar verandering in. Die nacht-cultus is meer dan een romantische zwijmelarij of een voorbijgaand verscheurdheidje. Ze duidt op een explosieve psychologische gesteldheid. Ze houdt rechtstreeks verband met een wildgroei, met de splijting van alles, met een letterlijke gespletenheid – met een wereld bestaande uit niets dan contrasten.

Verzoeningen vonden er niet plaats, afgezien van halfslachtige pogingen op sociaal gebied, zoals zeg maar het Nut, ofwel de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Voor wat wij verzoeningen noemen was de eeuw te groot. Wel was er een doorlopend, nimmer eindigend debat. De negentiende eeuw betekent vraag en tegenvraag, schijnbaar zonder synthese. Een slijtageslag. De vraag was reusachtig, de tegenvraag was reusachtig. Er ontstond een vuilnisbelt van versleten vragen, maar het debat ging vrolijk door.

Optimisme tegenover pessimisme. Een heilig vooruitgangsgeloof, maar ook toen al `bezwaren tegen de geest der eeuw', om nog een omineuze titel van Da Costa te noemen. Hij had die bezwaren in 1823, toen de eeuw nog jong was. Ook zelf was hij nog jong. Het zijn de bezwaren, let wel, van een vijfentwintigjarige. Van een angry young man, niet van een ouwe zeur. (Een ouwe zeur is een angry young man die te lang doorgaat.) Da Costa hield na dit pamflet nog even vol – met politieke gedichten – en ze zullen hem bij de tegenpartij vaak genoeg een zeur hebben gevonden.

Da Costa was een reactionair die goed zag wat er aan de hand was, iets wat niet ongebruikelijk is bij reactionairen. Zijn remedie is misschien waardeloos, zijn diagnose was scherp. Bovendien was hij een groot prozaïst en dichter. Zijn Bezwaren tegen de geest der eeuw is een uiterst leesbaar compendium van fundamentalistisch rechts en kan doorgaan voor een zelfportret van de eeuw. En luister naar hem in `Wachter! Wat is er van den nacht?' Over de stroom van boeken, vlugschriften en kranten.

De wereld onzes tijds, met weten ingenomen,

Zoo als geen vroeger ooit, zuigt, in haar dorst,

bij stroomen

De vrucht der drukpers in, die gistend tot ons

komt,

En hoofd en hart om strijd of prikkelt of ver

stompt.

(...)

Is 't waar? en wordt bij 't zweet der rustelooze

pers

Door Vlugschrift en Journaal, naar 't leven

steeds en versch,

Het beeld, de stem des Tijds herbaard? zijn zin,

zijn pogen,

Beloften, dreigingen, vermeten en vermogen,

Ons ieder dag gemeld? Van ieder nieuwen stap

Die ter volmaaktheid voert, verslag en reken

schap

Gebracht? Zoo sta het vrij die godspraak te on

dervragen!

Ja, bij het kroost der Pers zich met de vraag te

wagen,

Die uit het binnenst roept: Wat is er van de

nacht,

o Wachter! welk een dag wordt aan de kim ge

wacht?

Voorlopig is het nog het zwoegen van de drukpers die hier de strijd met de vergetelheid aanbindt. Da Costa vraagt zich af of de meest reusachtige som van gegevens over een tijdperk ook maar iets zegt over de geest van die tijd.

Het aantal mensen en het aantal boeken had een kritisch punt bereikt. De geest van de Verlichting was uitgelopen in sociale onrust, wat de lichamen betreft was er een getalsmatig draagvlak ontstaan voor barricaden en straatrellen, het zweet der rusteloze pers zorgde voor intellectuele mobilisatie, waarna desoriëntatie.

De grondwet had het volk macht gegeven. De vrijheid van drukpers had geleid tot vooral veel drukwerk. De vrijheid van godsdienst zou ook gaan betekenen de vrijheid van geen godsdienst.

Op alle terreinen tegelijk was een kritische massa bereikt. Een kritische massa `is de hoeveelheid die, indien bijeengebracht, spontaan explodeert'. In de atoomfysica komt het neer op, ik citeer weer de encyclopedie, `de minimum-hoeveelheid splijtbaar materiaal die nodig is om op eigen kracht een kettingreactie voort te brengen'. Nu, in die zin is de negentiende eeuw, van alle eeuwen, de eeuw van de psychische, morele en artistieke kernfusie.

Wat in de achttiende eeuw werd begonnen, raakte in de negentiende levensgevaarlijk explosief. Het braakland van de twintigste eeuw was het resultaat.

Van alle negentiende-eeuwse grootschalige ideeën is misschien de idee van de vooruitgang het meest funest gebleken. Onze illusie van een vooruitgang is voorgoed dood. Les één van de negentiende eeuw.

Een eeuw schudde zich leeg, ontdeed zich van haar volte. Is de bom uitgewerkt? De negentiende eeuw zal pas definitief zijn afgelopen als alle contrasten zijn uitgewoed. Dan mogen we haar vergeten.

Adieu, negentiende eeuw? Misschien moet de negentiende eeuw wel met geweld worden afgeschaft. Ondenkbaar is dat niet. Het zou wel eens in de mode kunnen raken het verleden af te schaffen – gewoon, weg met die ouwe rommel, alle musea en paleizen neergehaald, alle woonwijken, als de bliksem alles aan papier en schilderijen verbrand wat ouder is dan, zeg maar, vijfentwintig jaar. Je veegt het als een kwaaie droom weg van je aangezicht. Maar we zullen moeten erkennen dat het een mogelijke, want grondig negentiende-eeuwse fantasie is. Zo'n reusachtige eeuw moet in staat zijn zichzelf op te blazen.

Dit is een sterk bekorte versie van een van Gerrit Komrij aan de Universiteit van Amsterdam. De volledige lezing zal in maart worden gepubliceerd in het tijdschrift `De negentiende eeuw'.