Een netwerk van vooroordelen

In Duitsland wordt Shakespeare's `De koopman van Venetië' opgevoerd, een stuk dat ook nu weer discussie losmaakt. Het is net zo min een antisemitisch stuk als Fassbinders `Het vuil, de stad en de dood'.

,,Weshalb spielen Sie denn Fassbinder nicht?''

De vraag valt als een bijl. Want we hebben het niet over Fassbinder, het draait om De Koopman van Venetië van William Shakespeare. De vergelijking is even veelzeggend als ontluisterend. Het is een zondagmiddag in november in de Duitse stad Mülheim, vlak over de grens bij Arnhem. De regisseur van Italiaanse komaf, Roberto Ciulli, en zijn dramaturg, Helmut Schäfer, zitten achter een tafel die op het podium van hun eigen theater staat, Theater an der Ruhr, gevestigd in een voormalig kuuroord. Waar nu de Bühne is, lag eerst het zwembad van het gezondheidsoord. Buiten staan de beukenbomen in de gloed van de herfst.

Het toneelgezelschap, dat regelmatig in Nederland te gast is, brengt binnenkort de première van De Koopman van Venetië uit, misschien wel Shakspeare's meest omstreden stuk. Met Fassbinder bedoelt de vragensteller een willekeurig toneelstuk van de Duitse filmregisseur, toneelschrijver, acteur en regisseur Rainer Werner Fassbinder, maar dat ene specifieke toneelstuk dat in de jaren tachtig voor zoveel commotie zorgde en waarvan het effect nog steeds niet is uitgewoed: Der Müll, die Stadt und der Tod, in Nederland vertaald als Het vuil, de stad en de dood. In november 1987 werd dat stuk door een opvoeringsverbod getroffen. De joodse gemeenschap voelde zich gekrenkt en beledigd door het optreden hierin van een naamloze man, die slechts werd aangeduid als `de rijke jood'. Hij is projectontwikkelaar, makelaar, onvervalste sjacheraar en gierig, kortom: hij voldoet aan alle clichés die van oudsher aanleiding geven tot antisemitisme. Tot op heden is Het vuil, de stad en de dood op die ene vergeefse poging na nooit in Nederland opgevoerd, de dertien jaar tussen toen en nu hebben het anti-joodse stigma van het toneelstuk niet uitgewist. Integendeel. Nederland had, na Frankfurt, zijn eigen affaire. De dramaturg zegt: ,,In Frankfurt werd de opvoering van Der Müll, die Stadt und der Tod onmogelijk gemaakt. Ik beschouw dat nog altijd als een zwarte bladzijde in de theatergeschiedenis en een grote, onvergeeflijke fout van joodse zijde. Intellectueel heeft de gemeenschap zich in diskrediet gebracht.''

In Nederland leidde het conflict rondom de Fassbinder-affaire, zoals de zaak inmiddels ging heten, tot de zelfontvoering van acteur Jules Croiset. Hij was diep geschokt door de wens van leerlingen van de Amsterdamse Toneelschool om, in de regie van Johan Doesburg, het toneelstuk uit te voeren. Tijdens de bezetting van de speelvloer op de avond van de première, woensdagavond 18 november 1987, betoogde Croiset dat hij `zich schaamde hier te staan'. Kortgeleden gaf regisseur Doesburg te kennen dat hij spoedig een heropvoering overweegt. Terecht. Hoe langer over Het vuil wordt gezwegen, des te mythischer worden de proporties van het stuk, tot het eenmaal zover komt dat het stuk voorgoed in de ban wordt gedaan.

Schuwheid

Het werd een bewogen zondagmiddag in het voormalige kuuroord. De sfeer tijdens de voorbespreking van De Koopman van Venetië was een mengeling van schuwheid en emotionaliteit. Een kleine tweehonderd mensen zaten in de zaal. Iemand stelde luidop de vraag: ,,Moet dat nu? Waarom kiezen jullie geen ander stuk, Macbeth bijvoorbeeld of Romeo en Julia?'' Een mevrouw, met diepe sporen in haar gezicht, zei dat ze juist die ochtend ,,bloemen had neergelegd voor de slachtoffers van het nazisme'' en dat zij zo graag van de last van het verleden bevrijd wilde worden. Want één ding is duidelijk: sinds de Fassbinder-affaire is ook Shakespeare's De Koopman van Venetië gestigmatiseerd. Afgezien van enkele opvoeringen in de kleine zaal, die eerder bewerkingen waren, is het stuk de laatste twintig jaar zeer mondjesmaat door een repertoiregezelschap opgevoerd. In 1982 regisseerde Franz Marijnen voor het Ro Theater De Koopman met Peter Tuinman in de rol van Shylock, de joodse geldschieter, en tien jaar later vertolkte Hans Croiset dezelfde rol in de regie van Ger Thijs voor het Nationale Toneel. Ik vond de versie van het Ro Theater indertijd huiveringwekkend, juist door de uitbeelding van Tuinman als Shylock. Er waren geen regievondsten die de aandacht afleidden, zoals bij het Nationale Toneel, dat wel erg bizar en ongelukkig de zaak volstouwde met quasi-actualiteiten als scooters, draagbare telefoons en andere vermakelijkheden waardoor de explosieve lading ongedaan werd gemaakt. Tuinman verduidelijkte juist het gevaar van het stuk. Dat gevaar schuilt in de dubbelheid van de Shylock-rol, waarin een every inch joods personage louter door de draagkracht van zijn spel moet waarschuwen tegen vreemdelingenhaat. Het is als een boemerang naar jezelf gooien.

De Koopman van Venetië: dat is niet de koopman Antonio zelf, maar Shylock. De titel maakt meteen duidelijk dat het niet om liefde of een romantisch verhaal gaat, geen Midzomernachtsdroom of Winteravondsprookje, maar om een wereld waarin de verhoudingen tussen mensen gedefinieerd worden door geld; de mens is koopwaar, liefde en begrip zijn voor geld te koop. Aanvankelijk wilde Shakespeare met dit stuk uit 1596 een blijspel schrijven, maar door de keuze van een jood in een cruciale rol werd het, zeker na de Tweede Wereldoorlog, opgevat als een tragedie. Het belangrijkste van De Koopman is niet dat het een antisemitisch stuk zou zijn, zoals telkens weer verkeerd wordt gedacht. Het stuk draait om uit vreemdelingenangst geboren onverdraagzaamheid. Het verhaal is eenvoudig: handelsman Antonio beschikt over kapitaal, maar dat zwerft in de vorm van schepen over de zeeën. Het is virtueel kapitaal. Hij wil geld lenen teneinde zijn vriend Bassanio zoveel te kunnen geven, dat de laatste de begeerlijke Portia voor zich kan winnen. In de tijd van het stuk kon alleen bij joden geld worden geleend, tegen rente; christenen was het verboden geld uit te zetten. Wanneer Antonio's schepen vergaan, is hij niet bij machte Shylock het geld terug te betalen. Shylock bevestigt alle vooroordelen van zijn omgeving en eist, als derving van schulden, een pond vlees gesneden uit de hartstreek van Antonio. Het is deze scène van de met een mes gewapende Shylock met zijn wild rollende ogen en heftig bewegende baard waardoor het begrip antisemitisme bij De Koopman zich zo sterk kan laten gelden. In feite is het geëiste vlees een uiterst slimme zet van Shylock. Hij wil ermee zeggen: als jullie mij reduceren tot een op geld beluste woekeraar, een materialist pur sang, en als jullie ontkennen dat ik net als jullie een mens met hartstochten en gevoelens ben, dan maak ik van jullie exact wat jullie zijn: stukken wandelend vlees, lichamen zonder ziel. Uiteindelijk verliest Shylock en krijgt hij tergende beledigingen naar zijn hoofd geslingerd. Aan het slot is hij een vereenzaamd en gebroken man, bespuugd en tot in het diepst beledigd door Antonio en zijn trawanten.

Louis Bouwmeester

In de Nederlandse theatertraditie is Shylock altijd verbonden geweest met de reus Louis Bouwmeester. Tot in de jaren twintig van de vorige eeuw gold zijn Shylock-uitbeelding als heilig, nooit meer te overtreffen. Nog in 1931 schreven de kranten: ,,Niemand zal bij ons dien kop van Bouwmeester vergeten, meesterwerk van grime en verbeestelijkte expressie.'' Toch werd er in het begin van die eeuw scherp en intelligent nagedacht over het vermeende antisemitisme. In 1901 berichtte het toneeltijdschrift Het Nederlandsch Tooneel treffend: ,,In de zestiende en zeventiende eeuw was Jodenhaat nog evenzeer aan de orde van den dag als gedurende het gansche tijdperk der middeleeuwen. Toen Shakespeare dus zijn plan verwezenlijken ging een plastische voorstelling te geven van Christelijke arrogantie, van Christelijke hautaine zelfgenoegzaamheid en schijnheiligheid, die het Jodendom als nagenoeg weerloos slachtoffer koos, kunnen we wel voor zeker aannemen, dat hij, van de hoogte zijner grootsche levensbeschouwing de bekrompenheid zijner tijdgenoten volkomen schattende, de gelegenheid aangrijpen wilde om hen te wijzen op een nog ver afgelegen toekomst van mildere tijden.''

In 1901 kon men niet weten dat die `mildere tijden' nooit zouden aanbreken. Kort voor de Duitse inval op 10 mei 1940 genoot toneelminnend Nederland ogenschijnlijk onbezorgd in de Koninklijke Schouwburg van Den Haag van een `bijzonder mooie toneelavond van het Residentie Toneel', dat `boeiend en smaakvol' De Koopman speelde. Het was 29 april 1940, de krant Het Volk schreef: ,,Had de schrijver van dezen woekeraar een zwarten misdadiger gemaakt, dan zou het `opvoeringsprobleem' van `de koopman' minder groot (zijn) dan het is, nu hij hem een der weinige karakters in het stuk deed zijn.'' Dat is scherp gezien: Shylock als round character en niet als de eendimensionale geldwolf. De volgende waarneming echter uit dezelfde krant onthult op pijnlijke wijze hoe weinig besef er bestond van de verschrikkingen die kort daarop zouden plaatsvinden, en waarvan sinds 1933 de tekens toch overduidelijk waren. Zo naïef was Nederland dus vlak voor de inval: ,,Beter misschien, dan in de tijd van den schrijver, verstaat een publiek in het jaar 1940, hoeveel smaad de Joden is berokkend.'' Het staat er, in alle onschuld, in de voltooid verleden tijd.

In 1942, honderd jaar na Bouwmeesters geboorte, verscheen een herdenkingsboek waarin de nogal Duits angehauchte schrijver stelt dat Shylock vooral volgens de `komische opvatting' gespeeld dient te worden. Dan wordt hij inderdaad wat hij absoluut niet moet zijn: een belachelijke, lachwekkende jood. Bouwmeester houdt er, aldus de schrijver, een `zeer verkeerde' rolopvatting op na door Shylock te spelen met groot `realisme, diep ontroerend'. Het publiek mocht eens medelijden met deze vernederde man krijgen, die aan het slot `bijna jankend van ellende' de rechtszaal verlaat, `nagejouwd door de edelen'. Dat woord `edelen' is misleidend: Antonio, Bassanio en anderen zijn verveelde rijkeluiskinderen.

Inreisverbod

Antisemitisme en xenofobie zijn van alle tijden, en zo wil Theater an der Ruhr De Koopman van Venetië ook spelen. Er is altijd druk gespeculeerd of Shakespeare zijn eigen onvrede over joden in het stuk gelegd zou hebben. Waarschijnlijker is dat Shakespeare uit jalousie de métier het succes van zijn rivaal Christopher Marlowe met De Jood van Malta (The Jew of Malta) wilde evenaren. Regisseur Ciulli kiest als uitgangspunt het gegeven dat Shylock onrecht is aangedaan. Hiermee sluit hij aan bij de door regisseur Peter Zadek ingezette traditie die vindt dat je om de paar jaar De Koopman moet opvoeren als een seismograaf voor antisemitisme en racisme in de samenleving. In dit opzicht schreeuwt ook Het vuil om opvoering. ,,Helaas'', zegt regisseur Ciulli die zondagochtend, ,,is het stuk belast en beladen. De opvoering van De Koopman vereist een rechtvaardiging. Die vonden wij in de geweldplegingen onlangs jegens Turkse bewoners in Rostock en Lübeck. Tegenwoordig bloeit het nationalisme weer, het `Heimatgefühl' overheerst. Mensen zijn bang voor vreemdelingen, voor mensen die iets kosmopolitisch meebrengen, zoals immigranten. De rijke jongelui van nu reizen weliswaar de hele wereld rond, maar in feite doen ze niets anders dan Berlijn naar de Caraïben of welk ander exotisch oord brengen. In die zin zijn ze ongehoord geborneerd. Wat ik wil aantonen is dat het mogelijk is dat in een op het eerste gezicht tolerante, liberale samenleving racisme zo gewelddadig en sterk aanwezig is. Alsof onder die verdraagzaamheid een diepe haat en onvrede zich schuilhouden, die bij vlagen de kop opsteken. Daarom beschouw ik Antonio en zijn vrienden als zelfvoldane jongelui die de tijd doden met flauwe spelletjes, en uit intense verveling al snel bij racisme uitkomen. Shylock is hun doelwit. Hij is voor hen allereerst een vreemdeling; hij wordt gesard, getreiterd. Hij moet zich `Stammtischwitze' laten welgevallen. Zegt de een tegen de ander: `Is er nog een Juden-Witz in voorraad?' Die grappen beschouw ik als metaforen van het netwerk van vooroordelen, waarin de joden eeuwenlang zijn gevangen. Er is ook weleens gesproken, als het gaat om het beeld van de jood, van de `katechese der verguizing'. Een jood wekt associaties op met gevaar, geheimzinnigheid, gelddieverij; ze zijn gevreesd, gehaat ook, en fungeren daardoor als een magneet die de zwartste oordelen aantrekt.''

Ciulli actualiseert de voorstelling niet. Plaats van handeling is Venetië tijdens het carnaval, een ultiem christelijk feest waarin alles is toegestaan. Een fontein en vijver geven het decor Italiaanse accenten. De wat bleke, lichtend grijze lucht boven de lagunestad kleurt het achterdoek. Antonio's kameraden dragen carnavalskleren, waarbij de haakse feestneus – het aloude symbool van Shylock – niet ontbreekt. Door die abstractie wordt elke anekdotische folklore vermeden. Voor de Shylock-rol kozen de regisseur en dramaturg voor een actrice, Petra von der Beek. Ze heeft een smal gezicht, lang zwart haar. Zij is niet de eerste vrouwelijke Shylock; al aan het eind van de negentiende eeuw was de rol ook bij actrices geliefd. Toch is de keuze verstrekkend: Ciulli vermijdt daarmee de voor de hand liggende karikaturale uitbeelding. In niets mag deze Shylock lijken op de traditionele Shylock, en, in het verlengde daarvan, op `de rijke jood' uit Het vuil, de stad en de dood.

Vanouds is de monoloog van Shylock in het derde bedrijf, eerste toneel, van een grote emotionele waarde. Shylock verdedigt zijn identiteit als jood tegenover de christenen. Bij Theater an der Ruhr komt de geheel in het zwart gestoken Petra von der Beek op, ze draagt een zwarte hoed. Antonio's vrienden zijn op een terras neergestreken, bestellen wat, pesten de ober. Als de zwarte gedaante van Shylock verschijnt, bevriezen ze. Ze draaien zich weg, schoppen de stoel waarop zij wil gaan zitten van zich af. Shylock neemt plaats, de rug naar hen toegekeerd, ze blikt de zaal in. Monotoon maar geladen zegt ze: ,,Ik ben een jood. Heeft een jood geen ogen, heeft een jood geen handen, geen ledematen, zintuigen, gevoelens, hartstochten? Als jullie ons steken, bloeden wij dan niet?''

Ondertussen staan de anderen in stilte op, ze sluipen weg in een kille pantomime.

Shylock weet niet dat ze alleen achterblijft. Tegen de leegte en de stilte zegt ze: ,,Als jullie ons vergiftigen, sterven wij dan niet? En als jullie ons onrecht doen, zullen wij dan geen wraak nemen?'' (vertaling: Bert Voeten.)

Tot slot is er niemand die naar haar woorden luistert. Shylock: ,,Als een jood een christen iets berokkent, hoe reageert hij in zijn christelijke zachtmoedigheid dan? Door wraak! Als een christen een jood iets berokkent, hoe zal hij zijn zachtmoedigheid naar christelijk voorbeeld dan tonen? Door wraak!''

Petra von der Beek spreekt het laatste woord `Rache' zacht uit met tranen in haar stem. Bijna smekend. Om begrip en rechtvaardigheid. Aandacht. De verlaten tafels en stoelen achter haar drukken de nonchalance van de wereld om haar heen prachtig uit.

Er is maar één mogelijkheid voor Nederland om van de nare geschiedenis met de Fassbinder-affaire voorgoed verlost te worden: deze voorstelling langs alle theaters laten reizen. Opdat voorgoed duidelijk is dat De Koopman van Venetië, Shylock en Het vuil, de stad en de dood beslist niet antisemitisch zijn, maar handelen over een wezenlijke thema: de onverschilligheid van de ene mens tegenover de andere; van de christen jegens de jood. En van de welgestelde, gearriveerde mensen die, gevoelig voor hun hachje, zich te weer stellen tegen vreemdelingen, mensen wier afkomst ze niet begrijpen. Dat is angstaanjagend. In De Koopman van Venetië laat Shakespeare zien hóe angstaanjagend dat is.

`Der Kaufmann von Venedig' door Theater an der Ruhr, Stadthalle, Mülheim an der Ruhr. Voorstellingen: 17, 27 december. Tournee t/m oktober 2001. Res.: 0049-2-085990188. www.theater-an-der-ruhr.de. Moet dat nu?