Een land van verliezers

Met de nu besliste, maar ideologisch onscherpe verkiezingsstrijd tussen Bush en Gore is een einde gekomen aan de Reagan-revolutie in Amerika. De burgers willen weer een actieve overheid. Maar zijn de hoofden in Washington daar koel genoeg voor?

Zo kwam er toch nog een einde aan het pandemonium. De verbitterde strijd over de vraag hoe een stem moet worden geteld, duurde meer dan een maand. De meest beschaafde variant, die zich afspeelde in de gerechtshoven, was gelukkig ook de beslissende. De straat speelde nauwelijks een rol. De juridische controverse werd gadegeslagen door een opvallend gelaten publiek. Maar de uitwisseling van verwijten en verdachtmakingen tussen het kamp van Bush en dat van Gore vertoonde veel trekken van de `paranoid style in American politics' (Richard Hofstadter).

Die polarisatie stond in vreemd contrast tot de ideologische verwantschap tussen de twee kandidaten. Want waar gingen deze verkiezingen over? De presentator van de debatten tussen Gore en Bush werd tot wanhoop gedreven door hun slaapverwekkende eensgezindheid. Een paar weken geleden toonde Newsweek een samengestelde foto van de kandidaten waarop hun contouren volledig waren vervaagd. Als niet de Republikein Bush maar de Democraat Gore had gewonnen, was ook hij dan niet veroordeeld geweest om het gouden kalf van de vrije markt te blijven koesteren? Had hij iets anders kunnen doen dan wat zijn partijgenoot Clinton deed: de Reagan-revolutie beheren die nu al twintig jaar Amerika in een stevige greep houdt?

Die revolutie mag dan begonnen zijn in 1981, toen Reagan aantrad, de jonge historicus Matthew Dallek betoogt in The Right Moment dat de oorsprong al dateert van vijftien jaar eerder. In 1966 versloeg Reagan in de gouverneursverkiezingen van Californië de Democraat Pat Brown. Deze uitslag was een grote verrassing omdat Brown al acht jaar een succesvolle gouverneur was. Bovendien had hij in 1962 een overwinning behaald op de sterke tegenstander Richard Nixon, de man die twee jaar daarvoor ternauwernood de presidentsverkiezingen van John Kennedy had verloren.

Broedplaats

The Right Moment is veel meer dan het verslag van de verkiezingsstrijd tussen Reagan en Brown. Het is een degelijke, toegankelijk geschreven geschiedenis van Californië in de jaren zestig, toen deze staat de broedplaats was van een linkse beweging en een rechtse tegenbeweging die later in en buiten Amerika navolging vonden. Als zodanig reikt de betekenis van dit boek ver uit boven zijn regionaal-historische strekking.

Gouverneur Brown was een geharnaste liberal, die de vaste overtuiging had dat overheidsingrijpen een effectief middel was om maatschappelijke vooruitgang te bevorderen. De tijdgeest leek hem gunstig gezind. Zijn partijgenoot Lyndon Johnson lanceerde een grootscheeps offensief tegen de armoede en werd een jaar later herkozen na een overwinning op de rechtse Barry Goldwater. De nederlaag van deze Republikein was zo verpletterend dat James Reston in de New York Times het voorlopige einde van de conservatieve zaak afkondigde.

Die conclusie was toen in Californië al achterhaald, volgens Dallek. Juist in een periode dat de maakbare samenleving in opmars leek, was aan de westkust de tijdgeest aan het kantelen. Dat bleek vooral uit de afwijzende reacties op het in 1963 door Brown gepresenteerde plan om een eind te maken aan discriminatie van gekleurde mensen bij de verhuur en verkoop van huizen. Zijn voorstel leidde tot een massale opstand van huizenbezitters. Brown probeerde deze revolte af te doen als het resultaat van een racistische samenzwering. Hij doorzag niet dat in de ogen van veel middle class burgers het streven naar solidariteit de grenzen van de vrijheid te ver overschreed. `Freedom of Choice' werd de leuze van een beweging die Brown dwong het plan in te trekken.

Tijdens de gouverneurscampagne van 1966 speelde Brown zijn tegenstander Reagan in de kaart door lankmoedig te reageren op het studentenoproer in Berkeley en de rassenrellen in Los Angeles. Volgens Dallek had Reagan echter vooral succes doordat hij in zijn campagne gebruik maakte van de opkomende ontevredenheid over een te grote overheidsbemoeienis. De regering is niet de oplossing, aldus deze kandidaat, maar het probleem. De overwinning die Reagan op Brown behaalde was volgens Dallek een teken dat het liberalism aan de aftocht was begonnen.

Bijna vijfendertig jaar later, lijkt Reagans boodschap van marktdenken en individuele verantwoordelijkheid onaantastbaar, zeker in Amerika. John Judis, redacteur van het progressieve blad The New Republic, bespeurt echter tekenen dat de bewieroking van de markt haar hoogtepunt achter de rug heeft. In The Paradox of American Democracy plaatst hij de recente politiek-maatschappelijke ontwikkeling in het perspectief van honderd jaar Amerikaanse geschiedenis. Hij erkent dat het vrije ondernemerschap in de Verenigde Staten appelleert aan diepgewortelde impulsen, maar als maatschappelijk uitgangspunt geregeld heeft blootgestaan aan kritiek en correctie. Niet alleen in de eerste helft van de jaren zestig werd een actieve rol van de overheid overwegend positief beoordeeld. Ook tijdens de jaren dertig (New Deal) en het begin van de eeuw (Progressive Era) was dat het geval. Volgens Judis fungeerde in die periodes een elite van intellectuelen als motor van dit overheidsingrijpen. Zij waren de architecten van een hervormingsbeweging die, anders dan in Europa, het socialisme afwees maar ook afstand nam van het sociaal-darwinistische beginsel dat mensen voor zichzelf moeten zorgen.

Het probleem van de jaren tachtig en negentig is, in de ogen van Judis, dat de intellectuele elites geen verzet hebben geboden aan de Reagan-revolutie. Hij spreekt zelfs van `verraad' aan de publieke zaak. De intellectuelen hebben hun plicht verzaakt om tegenwicht te bieden aan lobbygroepen die de belangen van de zakenwereld behartigen. Vaak hebben deze intellectuelen zelfs gekozen voor een slaafse navolging van het kapitaal. De figuur van Henry Kissinger staat in de ogen van Judis model voor wat er mis is gegaan. Na zijn aftreden in 1977 als minister van Buitenlandse Zaken heeft Kissinger de expertise en contacten die hij in overheidsdienst opdeed, voor eigen gewin gebruikt.

Verzuim

Judis meent voorts dat het presidentschap van Clinton in binnenlands-politiek opzicht mede door dit verzuim van de intellectuele elite grotendeels is mislukt. Clinton trad acht jaar geleden aan met een ambitieus programma dat hervormingen beloofde in de gezondheidszorg en investeringen in onderwijs en infrastructuur. Binnen twee jaar was het gros van de plannen van de baan. Een Republikeinse meerderheid onder leiding van Newt Gingrich beheerste het Congres. Maar Judis wijst ook op een interessant politiek feit: de in het nauw gebrachte president moest zijn hervormingsplannen opgeven, maar die terugtocht leidde geenszins tot het conservatieve offensief dat Gingrich op gang wilde brengen. Zijn poging om het stelsel van collectieve voorzieningen (Medicare) uit te kleden stuitte af op het verenigde verzet van gematigde Democraten èn Republikeinen.

Het betoog van Judis lijkt sterk geïnspireerd te zijn door een boek dat hij vreemd genoeg niet noemt: The Cycles of American History (1986) van Arthur Schlesinger Jr. De pendule van de Amerikaanse politiek, schrijft deze liberal historicus, ging in de twintigste eeuw voortdurend heen en weer tussen de dominantie van privé-belangen en aandacht voor publieke voorzieningen. Na twintig jaar markttriomfalisme, schrijft Judis, is de tijd rijp voor een fase van collectieve investeringen en hervormingen, die bijvoorbeeld een eind moet maken aan de groei van de inkomensongelijkheid. Het anticommunistische vliegwiel van de marktbeweging is sinds het einde van de Koude Oorlog buiten werking gesteld. De Republikeinen zijn verdeeld en het zogenaamde `communautarisme', dat aandacht vraagt voor gemeenschapswaarden en sociale verantwoordelijkheid, heeft ook in hun partij invloed.

Als de analyse van Judis klopt, dan is het door Bush gepropageerde `compassionate conservatism' meer dan een holle leuze. Over zijn plannen om het federale begrotingsoverschot te gebruiken voor een belastingverlaging sprak hij maar weinig, in het besef dat de modale kiezer op dit moment zijn prioriteiten elders legt. Het programma van Bush telt punten over onder meer onderwijshervorming en medicijnenvoorziening die duidelijk maken dat hij meer een man van het midden is dan een volgeling van Reagan. Na zijn minimale en langdurig betwiste overwinning beschikt de nieuwe president over een zwak mandaat. Ook de verhoudingen in het Congres maken zijn manoeuvreerruimte uiterst beperkt. Er is maar één manier om effectief te regeren: de Democraten tegemoet komen.

Willekeur

De belangrijkste paradox van deze uitslag is dan ook dat de Democratische partij in een sterke positie verkeert. Niet de Democraten maar de conservatieve Republikeinen zijn de grote verliezers van verkiezingen waarin het electoraat haar eensgezinde voorkeur voor een centrumkoers in grote verdeeldheid tot uitdrukking bracht.

Als gouverneur van Texas oogstte Bush veel waardering voor zijn vermogen de kloof met de Democraten te overbruggen. Maar is een scenario waarin Democraten en Republikeinen samenwerken onder zijn leiding reëel? De verbittering over een verlies dat voor de Democraten voorlopig omgeven zal blijven door een geur van willekeur, lijkt te groot. Na de impeachmentprocedure tegen Clinton zijn de onderlinge verhoudingen grondig verziekt. Bovendien heeft de traditionele neiging tot politieke paranoïa de tegenstellingen opgeblazen tot proporties die de taak van Bush tot een hels karwei maken.

Matthew Dallek: The Right Moment.

Ronald Reagan's First Victory and the Decisive Point in American Politics.

The Free Press, 284 blz. ƒ69,95

John B. Judis: The Paradox

of American Democracy.

Elites, Special Interests, and the

Betrayal of Public Interest.

Pantheon Books, 305 blz. ƒ74,95