De Grote Satan 14

Ik wil de heer Kousbroek hartelijk bedanken voor zijn toneelstuk waarin ik zo uitvoerig figureer (CS 8-12).

Hij heeft het woord gymnasiastenhumor een heel nieuwe dimensie gegeven en daarvoor ben ik hem dankbaar.

Jammer alleen dat deze liefhebber van de waarheid het zelf niet zo nauw neemt met de waarheid.

Misschien is hij daar te beschaafd voor. Iemand die meent dat `je in beschaafd gezelschap geen exposé hoeft te geven van de merites van Amerika' is misschien ook wel van mening dat je in beschaafd gezelschap leugens waarheid kunt noemen.

Nergens heb ik in mijn Yasha-column Rudy Kousbroek of Karel van het Reve een aanhanger van de Ku Klux Klan genoemd.

Ik schreef dat Kousbroek Karel van het Reve citeerde die op zijn beurt een Amerikaanse rechter, Hugo Black, aanhaalde die gezegd schijnt te hebben dat hij alle wetten wil afschaffen waarin gesteld wordt dat iemand veroordeeld kan worden voor wat hij heeft gezegd of geschreven.

Wat de heren niet vermeldden of gewoon niet wisten, is dat Hugo Black een aanhanger was van de Ku Klux Klan. Wat Blacks uitspraak toch in een ietwat ander daglicht plaatst.

Wie hieruit meent op te maken dat ik Kousbroek een aanhanger van de Ku Klux Klan heb genoemd, heeft een ziek brein, een gedementeerd brein of helemaal geen brein.

Maar ach, Kousbroek meent ook dat ik hem van antisemitisme beschuldig, omdat ik stel dat wie de Ayatollah als getuige aanroept niet zo ver verwijderd is van het aanroepen van Julius Streicher.

Verder citeer ik in mijn stuk over Kousbroek (CS, 24-11) wel degelijk Karel van het Reve en niet H.L. Wesseling. De heer Kousbroek kan het nalezen in Van het Reve's essaybundel Luisteraars! (Van Oorschot, 2de druk, blz 12). Wellicht is de heer Wesseling een plagiator, maar dat betekent niet dat ik mijn bronnen vervals.

De tienduizenden biggen en varkens die dagelijks worden gedood, komen uit de pen van de heer Kousbroek. Citaat: `Op het hoogtepunt van het varkensdrama werden dagelijks tienduizenden biggen en varkens gedood'.

Het is dus niet zo, zoals Kousbroek in zijn toneelstuk beweert, dat ik die tienduizenden dode biggen uit mijn hoge hoed heb getoverd. Die komen uit zijn hoge hoed.

Gezien zijn vele leugens en verdraaiingen van de waarheid lijkt het er inderdaad op alsof de heer Kousbroek bij de heer Streicher in de leer is geweest. Of bij de Ayatollah. Maar dat maakt hem geen antisemiet, alleen een infame leugenaar.

Als vooraanstaand lid van de Club van Beschaafde Mensen bepaalt Ayatollah Kousbroek wat ironie is en wat niet.

Ironie, zegt deze verdediger van het vrije woord, is iets van en voor beschaafde mensen, en wie de barbaren zijn dat bepalen de beschaafde mensen natuurlijk.

Het barbarisme heeft zich in het verleden wel vaker voorgedaan als de verdediger van de beschaving.

Misschien is het een kenmerk van barbarisme dat het zich steeds weer opnieuw zal voordoen als de verdediger van de beschaving.