De bedrieglijke schijn van een imposante vissersvloot

De kabeljauw in de Noordzee is bijna `uitgestorven'. Maar ook de vangst van andere vissoorten komt in gevaar. Nederland zou bijvoorbeeld ook 20 procent minder tong en schol moeten vangen. Vanochtend werden de EU-ministers van Visserij het in Brussel eens over een drastische beperking van de visvangst. Visserij en milieubeschermers staan lijnrecht tegenover elkaar.

Het gaat goed met de visserij, het gaat slecht met de zeevis. De Nederlandse visserijsector heeft weer een mooi jaar achter de rug. Want de vis wordt duur betaald - niet langer door de vissers zoals in Kniertje, Nederlands beroemde toneelstuk, maar door de consument. De vissers maken mooie winsten en in de vissershavens als Urk en Stellendam/Goedereede liggen de kotters - de meeste zijn betrekkelijk nieuw, met sterke motoren tot 2000 pk. Dat is ook nodig, want er moet verder gevaren worden om de vis te vangen.

De Visserij-ministers in de EU hebben vanochtend een akkoord bereikt om de vangst van een aantal soorten vis op de Noordzee en andere EU-wateren ingrijpend te beperken. Het `dagelijks bestuur' van de EU volgt daarmee de adviezen van de visserijbiologen van de ICES, de internationale commissie voor de exploitatie van de zee. De wetenschappers waarschuwden dat het voortbestaan van kabeljauw en wijting in de Noordzee en ten westen van Schotland `ernstig gevaar' loopt. Hetzelfde geldt voor heek, een kleine rondvis, de populaire `merluz' in Spanje, de grootste visconsument van Europa. Heek, in Nederland nauwelijks bekend, komt overal voor, van Skagerrak tot de Golf van Biscaje.

De door de Europese Commissie vastgestelde reducties van de huidige voor 2000 geldende TAC's (total allowable catch – totaal toegestane vangst) gaan ver: er mag nog maar 22.600 ton van de 42.000 ton heek worden gevangen in alle EU-wateren, inclusief de Noordzee. In de Noordzee waar de TAC's worden verdeeld tussen de EU en Noorwegen, moet de kabeljauwvangst met 40 procent worden verminderd, van 81.000 naar 48.600 ton. Ook de vangst van schol en tong in de Noordzee moet worden verminderd. De vangst van schol moet worden teruggebracht van 97.000 ton naar 78.000 ton, voor tong is dat quotum teruggebracht van 22.000 ton naar 19.000, iets minder dan de Europese Commissie had voorgesteld. Voor visgebieden ten westen van Schotland zijn nog verdergaande reducties nodig, o.a. voor schelvis (40 procent) en kabeljauw (56 procent). De grootste zorg van de visserijbiologen geldt de kabeljauwstand die in de EU-wateren als geheel is afgenomen tot onder de grens van het biologisch minimum (voor het voortbestaan van de soort). Een oorzaak voor de dramatische achteruitgang van de kabeljauw is hoogstwaarschijnlijk de stijging van de temperatuur van het Noordzeewater. De kabeljauw paait niet of veel minder in te warm water. Een andere oorzaak is uiteraard overbevissing, die nog niet zo lang geleden bijna fataal was voor de haring.

Kabeljauw wordt ook als `bijvangst' opgehaald bij de visserij op andere soorten vissen, zoals schol, tong, schar, Noorse langoustines en tarbot. Om de kabeljauw te beschermen – bijvangsten worden meestal overboord gezet en de vissen gaan meestal dood – wil de Europese Commissie `voorzichtigheidshalve' de TAC's voor deze soorten verminderen. Maar tong en schol zijn verreweg de belangrijkste soorten vis voor het overgrote deel van de Nederlandse vissersrij – de ruim tweehonderd kotters uit Urk, Stellendam en andere vissershavens die hierin gespecialiseerd zijn.

De jaarlijkse onderhandelingen over de TAC's en de verdeling van quota over de betrokken EU-landen zijn een ingewikkeld spel van geven en nemen. De visserij is in veel landen een politiek gevoelige en economisch soms weinig doorzichtige sector. De Nederlandse visserij deelt de zorg voor de kabeljauw. Maar een vermindering van de Nederlandse quota voor tong en schol, alleen om de bijvangst van kabeljauw te beperken, is een ,,onnodig zwaar offer'' en ,,overdreven'', vindt Dick Langstraat, voorzitter van het Productschap Vis.

Beperking van de vangst van tong en schol is niet nodig omdat het met beide soorten, zo zegt Langstraat, relatief goed gaat, gemeten naar het zogenoemde voorzorgsniveau, een criterium (boven het biologisch minimum) dat door visserijbiologen wordt gebruikt. De voorraad tong bevindt zich daar boven en het scholbestand groeit, zij het langzaam, weer naar dat peil, aldus de voorzitter van het Productschap.

Een geheel andere visie heeft de Stichting De Noordzee, die ijvert voor bescherming van het ecosysteem van de Noordzee. De stichting beschuldigt de visserrijsector en het Productschap van het `bagatelliseren' van de waarschuwingen van de biologen. ,,De `korte termijn behoefte' van de vissers moet ondergeschikt worden gemaakt aan het probleem van overbevissing'', aldus directeur Groenendijk.

Nog slechts achttien Nederlandse schepen vissen op kabeljauw, tegen 190 in 1990 en 72 in 1980. De kabeljauwvisserij – met een totale besomming van circa 35 miljoen gulden per jaar – is dus al ,,enorm ingekrompen'', zegt Langstraat. Maar ongeveer de helft van de Nederlandse kabeljauwvangst bestaat uit de bijvangst van de schol- en tongvissers en vertegenwoordigt dus een waarde van ongeveer 17 miljoen gulden, circa 5 procent van de totale besomming van de schol- en tongvangst.

Bij de visserij op tong en schol staat Nederland, vijfde of zesde van de EU-visserijnaties, vooraan. In 2000 ging 82 procent van de Europese TAC voor tong en 38 procent van de TAC voor schol naar de Nederlandse visserij. Door ruiling van quota met andere landen kreeg Nederland precies de helft van de Europese TAC voor schol.

Bijvangst van kabeljauw is veelal onvermijdelijk. Langstraat bepleit dat de boomkorvissers in 2001 dezelfde hoeveelheid kilo's kabeljauw als bijvangst mogen `aanlanden'. Het Productschap wijst daarnaast op `het gevaar dat bij een te grote reductie van de kabeljauwvangst de als bijvangst gevangen kabeljauw overboord zal worden gezet. Dat is weliswaar verboden, maar dat gebeurt toch als het quotum overstegen wordt en de vangst niet langer verkocht kan worden. En de overboord gezette kabeljauw sterft.

Stichting De Noordzee, volgens Langstraat ,,een gerespecteerde milieuorganisatie'', vindt dat de besluiten van de Europese Commissie nog lang niet ver genoeg gaan. De vangstadviezen van de biologen – ,,te somber'' volgens het Productschap - zijn ,,gericht op beheer rond een biologisch minimum en niet op een streven naar duurzame maximale vangst'', schreef Noordzee directeur Groenendijk onlangs aan staatssecretaris Faber. En: ,,Deze benadering is achterhaald: er wordt in een te lege zee gevist waardoor inspanning en kosten voor de visserij veel te hoog zijn. De visserij is alleen maar rendabel door de extreem hoge visprijzen en de gesubsidieerde (diesel)brandstof.'' Het Productschap vis ontkent overigens dat op diesel subsidie wordt gegeven.

Overbevissing blijkt volgens de milieuorganisatie niet allleen uit afnemende visbestanden. Er zijn ook andere `signalen'. Zo verbruikt de Nederlandse visserij in vergelijking met tien jaar geleden ruim twee keer zoveel diesel voor het vangen van 1 kilo vis, is de gemiddelde maat van de gevangen vis veel kleiner dan tien jaar geleden, worden vissen steeds vroeger paairijp en bestaat een steeds groter deel van de vangst uit niet-commerciële soorten en ondermaatse vis die weer overboord wordt gezet. Vissen moet volgens De Noordzee gebeuren in een volle in plaats van een lege zee en dat kan alleen als het beleid radicaal wordt omgegooid.

Er is inmiddels wat vis betreft geen zee zo leeg als het ondiepe gebied voor de Nederlandse kust waar de boomkorvissers op tong en schol vissen. De kettingen aan de boomkor die over de zeebodem schrapen, verstoren de platvissen die omhoog zwemmen en vervolgens onvermijdelijk in het vissersnet terechtkomen. Veel ander leven op de bodem – zoals schelpdieren en minder commerciële vissen als de rog – is er niet meer omdat de kettingen de bodem omploegen en veel vernielen. En de vis krijgt nauwelijks kans te groeien voordat hij wordt gevangen. Een volwassen tong of schol is dan ook even zeldzaam als onbetaalbaar in de visrestaurants.

Stichting De Noordzee noemt de tong- en scholwateren waar de Nederlandse boomkorvissers opereren dan ook `visakkers', die vrijwel uitsluitend ondermaatse vis opleveren. Dat de vissers zich aan de quota houden, is evenmin een verdienste, aldus de stichting. ,,Ze kunnen de quota gewoonweg niet meer bij elkaar vissen.'' Dat was ondermeer het geval voor schol in 1999. Begin december was volgens Langstraat 90 procent van het Nederlandse quotum voor schol opgevist en ,,nog iets meer'' aan tong. De ruim 1.800 vissers die de kottervloot bemannen, hebben er geen moeite mee: zij behaalden in 1999 tachtig miljoen winst op een omzet van 670 miljoen.

Langstraat noemt de stellingnames rond de Noordzee-problematiek soms scherper dan nodig is, maar hij erkent tegelijkertijd dat de visserijsector belang heeft bij een goede visstand en een goede ecologie in de Noordzee. Maar hij ziet meer in de ontwikkeling van nieuwe vangsttechnieken zoals de zogenoemde pulsvisserij (vissen worden met elektrische stimulering opgeschrikt) waardoor bijvangst zou kunnen worden vermeden. De voorzitter van het Productschap nuanceert de notie dat de Noordzee `leeg' raakt: ,,De kabeljauw verdwijnt, maar je ziet een toename van minder hoogwaardige soorten, zoals de zeebaars, de pijlinktvis en de rode mul. Sommige kabeljauwvissers in andere landen zijn al overgeschakeld van `gullen' (kabeljauw) naar mullen, een roze visje dat in Spanje culinair prima scoort.''

En hij kijkt vooruit: in 2003 krijgt de wereldwijd geduchte Spaanse visserij – met verreweg de grootste vloot van alle EU-landen – ingevolge het toetredingsverdrag tussen Spanje en de EU vrije toegang tot de Noordzee. Spaanse vissers richten zich vooral op soorten waarvoor geen quotaregelingen gelden, maar ze halen daarbij – zo wordt gevreesd – grote hoeveelheden bedreigde vissen als bijvangst op – zoals kabeljauw.