Vogels vliegen toch

Jaren geleden woonde ik in Groningen eens een optreden van Hans Dorrestijn bij. Drie auteurs traden voor een zaaltje vol scholieren op. Een dame van middelbare leeftijd sprak over haar jeugd en de botsingen met ouders en klasgenoten. De zaal bleef muisstil. Niemand kon zich voorstellen dat die oude vrouw ooit jong was geweest. Vervolgens vertelde een joyeuze vijftiger over een droom die hij had gedroomd en waarin weer een andere droom zat verborgen. ,,Stel dat jullie helemaal niet echt zijn, maar droomgestalten uit mijn dromen'', riep hij vol geestdrift uit.

Schuifelende voeten, dat was de enige respons die hij kreeg.

De dromer maakte plaats voor Hans Dorrestijn, liedjesschrijver en begenadigd cabaretier. Zonder iemand aan te kijken nam hij voor de piano plaats en zette in met een krachtig akkoord.

,,Was Ome Joop maar dood'', zong hij met een grafstem.

De zaal was meteen verkocht. De kinderen gierden van het lachen. Zo eindigde een pijnlijk verlopende middag toch nog met een lachsalvo.

In Finale kwijting beschrijft de nu zestigjarige artiest zijn leven en lijden. Als kind moest hij de jampotten ontwijken die zijn opvliegende stiefvader hem naar het hoofd wierp; als echtgenoot moest hij zich bukken voor de strijkbout van zijn aan poetsdwang lijdende vrouw. Dorrestijn presenteert zichzelf als eeuwig slachtoffer. Hij, pantoffelheld en alcoholist, wordt zelfs een tijdje in een `gekkenhuis' opgenomen. Daar ziet hij alleen maar lelijke mensen en dat sterkt hem in de opvatting dat `lelijkheid de bron is van alle psychische ellende'.

Het leven mag dan een tranendal zijn, toch is er iets waardoor zijn sombere ziel geregeld opfleurt: de vogelstudie. Het wordt nooit met zoveel woorden gezegd, maar wanneer hij in bos of beemd een exemplaar uit Elseviers Vogelgids tegenkomt, dan zijn dat ware geluksmomenten. Zij vertegenwoordigen een andere, betere wereld, die geen boodschap heeft aan huwelijksleed, stofzuigers en katers.

Dorrestijn maakt onderscheid tussen vogels met een vrolijk liedje, zoals de vink, en vogels met een treurig liedje, zoals de goudvink. ,,Toch is de goudvink geen neerslachtig diertje'', houdt hij ons voor. Bij hemzelf ligt dat anders, daar ligt de treurigheid van een lied in het verlengde van een dito gemoed.

De vogelpsychologie van Dorrestijn lijkt op die van Jac. Thijsse, die meende dat je in de heerlijke zang van de nachtegaal diens goede zin kon beluisteren. Hoewel de auteur met grote wrok op zijn huwelijk terugkijkt, had de trouwdag, die meteen al in mineur verliep, toch nog een verrassing in petto: een ijsgors. Op Schiermonnikoog, waar hij met de gehate schoonfamilie samen was, gaf het vogeltje hem een intens vreugdegevoel. Helaas, de anderen stelden geen belang in de gors, die als een `druppel honing' aan de vloedlijn verscheen. ,,Ik had dus geen echte getuigen van het mooiste moment van mijn huwelijk.''

Jaren later, toen het huwelijk als een lekgeslagen bootje over de golven zwalkte, bracht hij vele vervelende uren door in de `saaie' bossen bij Ede. Er was echter één moment dat hij nooit zou vergeten: ,,Een zwarte vogel vloog tussen de boomstammen door en aan de vlucht zag ik dat het geen kraai kon zijn.'' De rode streep over de kruin zette hem op het spoor van de zwarte specht. ,,Mijn hart bonsde als bij een liefdesverklaring.''

Dat alles verbleekt bij wat hij in Sauerland te zien kreeg. Hij en zijn vrouw kwamen op de onzalige gedachte daar met zijn broer en aanhang vakantie te vieren. Het interieur van het huisje beloofde al weinig goeds: ,,Van rommelmarkten bij elkaar geschraapte meubels, een vettig tapijt, een morsig keukentje en wrakke oude omabedden.'' Na een fikse ruzie keerde de broer terug naar Nederland. Aangeslagen dwaalde Hans door het bos en ineens maakte een grote zwerm goudvinken zich los van de grond. De goudvink! Zijn favoriete vogel!

Zit Dorrestijn in de put, dan komt er vaak een hemelse bode aangevlogen. Opeens is er weer ruimte in zijn leven. Laat ik nogmaals aan de wijze Thijsse herinneren, die geloofde dat van de vogelstudie een grote louterende kracht uitgaat.

Zelfs de zwarte specht zorgde voor een sprankje licht in de donkere kamer van Dorrestijn.