Trou Moet Blycken

Jarenlang liep je je een breuk te zoeken naar een bloemlezing uit de Nederlandse kinderpoëzie alleen om te horen dat zoiets eenvoudig niet verkrijgbaar was. Met het schrijven voor kinderen begint in de poëzie het hele eieren eten

het taalbewustzijn en de taal zelf worden ontgonnen, de combinatiezucht en de zin voor harmonie worden gestimuleerd, het spel van het raffinement in de techniek en van de verzwegen simpelheid neemt een aanvang. Een volwassen poëziegeschiedenis kan niet zonder een geschiedenis van de kinderpoëzie. Nu is de lacune eindelijk gevuld met Van Alphen tot Zonderland. De Nederlandse kinderpoëzie van alle tijden verzameld door Anne de Vries. Het `van alle tijden' dienen we met een korreltje zout te nemen: de kinderpoëzie komt pas in de achttiende en negentiende eeuw goed op gang, en die eeuwen zijn dan ook met fraaie voorbeelden van vaak komisch-plechtstatige braafheid vertegenwoordigd

`k Wou graag leren breien;

knopen ken ik al!

Pa zegt: `voor een jongen

staat het al te mal!'

om uit een gedicht van N.A. van Charante (1811-1873) te citeren, dat roldoorbrekend begint maar uiteraard rolbevestigend eindigt. Met veel plezier trof ik ook een baldadige variant op het aloude leugengedicht aan, van S. Abramsz (1867-1924)

de slang moest exerceren;

het haasje droeg een pet;

de spiering plukte peren;

en de paling ging naar bed

zo valt er van alles in deze baanbrekende bloemlezing te genieten. Soms bevreemdt het je een gedicht dat je altijd voor volwassen poëzie had gehouden ineens tot kinderpoëzie omgetoverd te zien, gedichten van Leopold en Van Ostaijens

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem

ploem ploem

alsof je kunstwerken uit de Cobra-groep als kindertekeningen presenteert, maar het is een metamorfose waar je onmiddellijk vrede mee hebt. In de poëzie is elke confiscatie toegestaan.

In bijgaand gedicht van Willem Wilmink gebeurt het omgekeerde: hier wordt niet op kinderlijke wijze of vanuit een kind gedacht, maar juist vanuit een volwassene.

Er zit een grijze gek te beven bij de haard.

Hij lijdt aan slapeloosheid en hallucinaties en achtervolgingswaanzin en wacht nog altijd op zijn moeder.

Kindse, oude man.

Dankzij de bloemlezing Van Alphen tot Zonderland wordt dit grandioze en aangrijpende gedicht voor de lezer meteen in de goeie context gezet. Onontkoombaar beleef je het mee als kind. De suggestie van een kindermijmering is des te sterker, de ontknoping met Uitzicht op Schrikbeeld in de slotregel komt des te harder aan. Bij teruglezing blijkt hoe knap Wilmink het raadsel in stand houdt. Dat hier 's avonds laat niet een moeder op haar kind, maar een kind op zijn moeder zit te wachten, het is op z'n minst curieus. Toch koestert de lezer geen argwaan.

Als ik mijn oma nou eens bel?

Maar nee, die slaapt allang.

De suggestie dat hier een kind aan het woord is wordt tot op het laatst niet doorbroken. Vanzelfsprekend betekent `die slaapt allang' dat het ouwe mens al eeuwen dood is, maar we hebben geen erg.

Het naderend onheil ligt natuurlijk besloten in het bange tikken van de klok, het zijn de klokken die natuurlijk meteen al een lichtje bij ons hadden moeten doen opgaan

ik vrees dat ik vannacht versneld

verouder

om een andere dichter te citeren. Toch blijven we gevangen in een kinderlijke belevingswereld. 's Avonds laat is een gedicht waar je steeds opnieuw argeloos aan kunt beginnen en dat je met de simpelste aller slotwoorden

Ik zit te woelen in mijn haar.

Het wordt al grijs

steeds opnieuw een dreun geeft. Anne de Vries heeft, gelet op zijn keuze, een fijne neus voor gedichten die in hun eigen staart bijten of die een gesloten cirkel vormen, zie bij voorbeeld Vraag en antwoord van Jac. van der Ster (1909-1973) of Paarden voor de ramen van Leendert Witvliet (geb. 1936), maar dit is in zijn bloemlezing wel het mooiste altijd-opnieuw-beginnende gedicht.