Transfer à la Cohen is niet in landsbelang

Toen premier Lubbers zo'n tien jaar geleden tot vervelens toe werd getipt als voorzitter van de Europese Commissie, wimpelde de CDA'er deze `onhygiënische' en `onpropere' suggesties af met de woorden: ,,Ik zit hier om m'n werk te doen, voor de hele kabinetsperiode.'' Later deden soortgelijke geruchten de ronde over zijn opvolger. Maar ook Kok was een premier-van-stavast. Vier jaar is vier jaar, luidde zijn stellige standpunt. Laat diezelfde Kok staatssecretaris Cohen nu gaan naar Amsterdam?

Al twee partijen hebben zich openlijk gekeerd tegen de transfer van Cohen van Den Haag naar Amsterdam. Vier weken geleden verklaarde de VVD bij monde van fractievoorzitter Dijkstal dat Cohen zijn Haagse karwei moet afmaken. Voor de liberalen is dat karwei de invoering van de nieuwe Vreemdelingenwet. Ook GroenLinks is tegen Cohens vertrek. Rosenmöller cum suis vinden Cohens kandidatuur `een merkwaardige zaak', al was het maar omdat de staatssecretaris van Justitie een cruciale post binnen het kabinet bekleedt.

Naast deze politiek getinte bezwaren zijn er ook beletselen van meer staatkundige aard. Afgaande op de letter van het staatsrecht lijkt er geen vuiltje aan de lucht als Cohen z'n Haagse steek verwisselt voor de blinkende ambtsketen van Amsterdam. Geen enkele (grond)wettelijke regel of bepaling verbiedt een bewindspersoon om halverwege de kabinetsperiode een ander ambt of een andere baan te aanvaarden. Maar het staatsrecht bestaat niet alleen uit geschreven wetten. Er bestaat ook zoiets als ongeschreven staatsrecht.

Opmerkelijk is dat de staatsrechtelijke literatuur zwijgt over bewindslieden die gedurende hun ambtsperiode de overstap maken naar een andere betrekking. Dat zou er op kunnen duiden dat de deskundigen er vanuit gaan dat het vanzelfsprekend is dat bewindslieden ten minste vier jaar op hun post dienen te blijven.

Die opvatting vindt steun in de parlementaire geschiedenis. De lijst van bewindslieden die vanuit hun ministerschap of staatssecretariaat elders aan de slag gingen, is erg kort. Vanaf 1900 telde ons land in totaal meer dan 730 bewindslieden. Van hen werden slechts 17 gedurende de uitoefening van hun ambt benoemd in een andere functie. Daar komt bij dat van de 17 overstappers er tien van boord gingen in het zicht van de haven, dat wil zeggen vlak voor het officiële einde van de kabinetsperiode. Het ging daarbij om bewindslieden die materieel of formeel reeds demissionair waren. Tot de verkiezingen of het aantreden van de ploeg opvolgers zat op z'n hoogst een periode van een half jaar. In deze gevallen loonde het daarom niet meer de moeite om een opvolger te benoemen. Een collega nam voor de resterende tijd de honneurs waar. Kritiek klonk hoegenaamd niet.

Anders ligt het met degenen die afzwaaiden terwijl het kabinet nog een aardige periode voor de boeg had. Dat waren er slechts zeven. Zij kregen wél kritiek te verduren, zowel in de publieke opinie als in het parlement. Hun vertrek werd min of meer gezien als een vorm van `desertie', al gold voor sommigen de `verzachtende omstandigheid' dat zij reeds deel uitmaakten van het kabinet dat direct voorafging aan het kabinet waaruit ze de wijk namen. Dat verzachtte de pijn enigszins.

Maakt het nog uit wáár bewindslieden hun heil zoeken? Opvallend is dat allen die elders werden benoemd de publieke zaak bleven dienen, of dat nu was als burgemeester van Apeldoorn, Amsterdam of Heerlen, ambassadeur in Washington of als Eurocommissaris in Brussel. Het vertrek dat in de recente staatkundige historie de meeste tongen losmaakte, was dat van minister van Defensie Scholten in 1980. Die werd, nadat hij nota bene tussentijds was aangetreden en met nog ruim een jaar te gaan, bevorderd werd tot vice-president van de Raad van State. Op verzoek van oppositieleider Den Uyl debatteerde de Tweede Kamer hierover. De teneur bij dat debat was dat een overstap niet categorisch mag worden uitgesloten, maar óók dat het een hoge uitzondering moet zijn en blijven.

Datzelfde geluid klinkt nu weer. Er bestaat eenstemmigheid over het uitgangspunt, om niet te zeggen de norm, dat een minister of staatssecretaris (afgezien van politieke of persoonlijke omstandigheden) de volle termijn behoort uit te dienen. Terecht. Job-hoppen is niet weggelegd voor bewindslieden! Het gaat hier per slot van rekening over het ambt van minister of staatssecretaris – niet niks dus. Daarmee mag niet lichtvaardig worden omgesprongen. Ook wie de overheid niet ziet als Gods dienares en het ministers- of staatssecretarisambt als een (hogere) roeping, zal beseffen dat het in ieders belang is als de naam van de overheid hoog wordt gehouden. Verdwijnt het vertrouwen in het bestuur en de bestuurders, dan is dat op korte of langere termijn funest voor de hele samenleving.

Zeker in deze tijd, nu mondige burgers hoge eisen stellen aan gezagsdragers, is het gevaar van weglekkend vertrouwen reëel. De politiek wordt bepaald geen goede dienst bewezen wanneer de bevolking gaat denken dat het ministerschap, het staatssecretariaat, maar ook het Kamerlidmaatschap, een aanloop of springplank is naar een aantrekkelijk(er) baantje. Politiek Den Haag staat al in een kwade reuk; vriendjespolitiek, zakkenvullers, belangenverstrengeling, de stereotiepe (voor)oordelen zijn bekend. Het gaat te ver om de benoeming van bewindslieden op andere posten in die termen te be- en veroordelen, laat staan daarmee op een lijn te stellen. Toch kunnen transfers à la Cohen het negatieve beeld bevestigen of versterken. Daarom is het beter als ministers en staatssecretarissen, politici in het algemeen, de `schijn des kwaads' vermijden.

In dit licht bezien moet er daarom wel een héél goede reden zijn om af te wijken van de norm `vier jaar is vier jaar'. Wie bij de kabinetsformatie `ja' zegt tegen de formateur en dat jawoord ook nog eens en onder ede herhaalt ten overstaan van het staatshoofd, zegt in principe `ja' voor een periode van vier jaar. In het verleden is in dit verband een enkele keer een beroep gedaan op het landsbelang. Daarmee werd de toen spelende `promotie' van de premiers Lubbers en Kok naar Europa gebillijkt.

Hoe je daar verder ook over denkt, het is zeer discutabel of de benoeming door het kabinet van de eigen staatssecretaris Cohen overtuigend te motiveren is met een beroep op het landsbelang. Mocht het kabinet dat tóch doen, dan is maar één conclusie mogelijk: óf in Den Haag, óf in Amsterdam is iets heel grondig mis.

Drs. M. de Bruyne is voorlichter van de SGP-fractie in de Tweede Kamer.