Samen sterker, maar de markt is oppermachtig

De oliewereld wordt gekenmerkt door een woud van spelers en organisaties. Twee internationale clubs springen eruit: de OPEC en het IEA.

ELKE KEER ALS HET FLINK KOUD wordt en aan het begin van de zomervakantie het olieverbruik stijgt (veel autokilometers), komt OPEC – de belangrijkste organisatie van olieleveranciers – in het nieuws. Maar ook op andere, schijnbaar willekeurige momenten gebeurt dat: als de olievoorraden niet op tijd zijn aangevuld, raffinaderijen de vraag naar een product niet aankunnen, of er oorlog dreigt in het Midden-Oosten.

OPEC staat voor Organization of the Petroleum Exporting Countries, die zorgt voor zo'n veertig procent van de olie-aanvoer op de wereldmarkt. Momenteel zijn er elf OPEC-lidstaten: Algerije, Koeweit, Indonesië, Irak, Iran, Qatar, Libië, Nigeria, Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en Venezuela. Officieel is OPEC een intergouvernementele organisatie die op ministersniveau sympathiek klinkende doeleinden nastreeft, maar in de praktijk fungeert ze als een oliekartel.

In de jaren vijftig maakten niet de productielanden de dienst uit op de oliemarkt, maar de grote Westerse oliemaatschappijen zoals Shell, British Petroleum en Exxon. In september 1960 werd in de Iraakse hoofdstad Bagdad OPEC opgericht, door de initiatiefnemers Iran, Irak, Koeweit, Saoedi-Arabië en Venezuela. Die namen het prijsbeleid in eigen handen. Ergste straf voor de olieconcerns: binnen tien jaar waren vrijwel al hun bezittingen in die landen genationaliseerd.

Volgens haar statuten streeft de OPEC naar coördinatie van het beleid voor export van olie en olieproducten, stabiele prijzen en het tegengaan van schadelijke, sterke schommelingen in die prijzen. De eerste periode na de oprichting werd dat doel bereikt door centraal de prijzen voor ruwe olie vast te stellen. Maar keer op keer bleek de markt sterker te zijn dan de leer van het coördineren.

Een voorbeeld: in december 1997, toen zich in Azië een ernstige financiële crisis aftekende, dacht OPEC het beter te weten dan de markt. Op een vergadering in Jakarta werd besloten tot een verhoging van de olieproductie met 10 procent. De olieministers hadden hun hielen nog niet gelicht of de vraag naar brandstoffen stortte in en de prijs kelderde tot onder de 10 dollar per vat (159 liter). Het duurde heel lang eer de productie weer voldoende werd verlaagd, waardoor de olielanden zelf de eerste slachtoffers waren en grote verliezen leden.

Dit jaar doet het andere uiterste zich voor. Maandenlang heeft de olieprijs zich boven de 30 dollar per vat bewogen. Als zo'n periode niet te lang duurt is dat goed voor de olielanden, maar op den duur hebben ze er nadeel van want dan neemt de vraag af. Industrielanden, die veel brandstoffen verbruiken, klagen steen en been en vragen OPEC de productie en export te verhogen. Ook ontwikkelingslanden die al hun olie moeten importeren, zijn de dupe. Maar drie productieverhogingen op rij hebben nog nauwelijks verbetering gebracht. Het probleem zit dit keer meer in de capaciteit van raffinaderijen in de Verenigde Staten. Niettemin: hoge olieprijzen leiden tot omschakeling naar aardgas en – versneld – duurzame bronnen van energievoorziening.

OPEC-landen zijn niet blij met een vermindering van de vraag naar hun product. Dat blijkt wel uit hun geharnaste verzet tegen een mogelijk nieuw klimaatverdrag, dat de fossiele brandstoffen (olie, aardgas, kolen en hout) naar de achtergrond zou dringen. Maar uit de World Energy Outlook 2000 van het Internationaal Energie Agentschap (IEA) blijkt – verrassend – dat hun vrees ongegrond is. Olie zal, door de sterke groei van mobiliteit en transport in de rijke landen en de verwachte economische groei in de ontwikkelingslanden, nog zeker twintig jaar goed blijven voor 49 procent van 's werelds energievoorziening.

Direct na de oliecrisis van eind 1973 nam de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Henri Kissinger het initiatief om een soort Westerse tegenhanger van OPEC op te richten. Want een paar Arabische landen aan de Golf hadden laten zien dat ze een vuist konden maken tegen het pro-Israëlbeleid van Westerse landen. De Verenigde Staten en Nederland werden eind '73 getroffen door een olieboycot die hun economieën moest verlammen. Achteraf bleek dat nogal mee te vallen, maar de olieprijs piekte wel.

Binnen een jaar had Kissinger het overgrote deel van de 24 rijkste industrielanden die lid waren van de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) achter zich. Op 15 november 1974 werd in Parijs het Internationaal Energie Agentschap opgericht, dat inmiddels 25 lidstaten telt.

Belangrijkste taak in de beginperiode was een samenwerking op energiegebied te ontwikkelen, vooral om elkaar bij te staan bij een plotselinge onderbreking van de olietoevoer. In 25 jaar is dat systeem verfijnd en werd de taak van het IEA sterk verbreed. Mocht zich weer een calamiteit voordoen, dan treedt een noodprogramma in werking. De olieconsumerende landen houden allemaal voorraden aan van 90 dagen import, die bij een vermindering van de aanvoer van 7 procent of meer worden aangesproken en eventueel onderling worden gedeeld.

Daarnaast treffen de IEA-lidstaten in zo'n noodsituatie snel maatregelen om hun vraag naar importolie te verminderen, door bijvoorbeeld omschakeling naar andere brandstoffen en vergroting van eventuele eigen olieproductie. Mocht dat nog niet voldoende helpen, dan moeten verkeer en transport aan banden worden gelegd, door lagere snelheden, brandstofdistributie en in het uiterste geval autoloze (zon)dagen, zoals Nederland er een paar kende tijdens de olieboycot.

Door veel contacten met de olieproducerende landen heeft het IEA er toe bijgedragen dat het oliewapen niet zo gauw meer zal worden ingezet om politieke conflicten te beslechten. Het Agentschap maakt zich verdienstelijk met een maandelijkse rapportage van gegevens over de vraag-, aanbod- en prijsontwikkeling op de oliemarkt. Elke twee jaar wordt een World Energy Outlook gepubliceerd. In de jongste uitgave is voor het eerst rekening gehouden met alle afspraken die op de klimaatconferentie van eind 1997 in Kyoto waren gemaakt.

Ook wordt het energiebeleid van de eigen lidstaten periodiek aan een kritisch onderzoek onderworpen. Onlangs is Nederland op de vingers getikt, omdat Den Haag te veel onderneemt om minder afhankelijk te worden van olie-import, maar zich daarbij kwetsbaar maakt door bij de elektriciteitsproductie en de industriële energievoorziening vrijwel alleen op aardgas te vertrouwen.

    • Theo Westerwoudt