Rijksmuseum 2

Het betoog van Hans van Olphen over de toekomst van het Rijksmuseum trekt de aandacht, omdat het op een ééndimensionaal functionalisme is gebaseerd. Iedere (architectuur)historische nuance ontbreekt in zijn betoog.

Voor Van Olphen staat het museum als een kist, met een te klein gat erin, ,,een gezonde planontwikkeling'' in de weg. Veel meer dan een verkeerstechnische stadspoort, is het gebouw echter geconcipieerd als een symbolische stadspoort. Wie goed kijkt, herkent het historische type direct: een doorgang met zaal erboven, geflankeerd door torens en voorzien van passende opschriften en decoratie. Voor wie geleerd heeft gebouwen ook op hun ikonografische merites te beschouwen, is dit dus het juiste gebouw op de juiste plek. Van Olphen hekelt het feit dat de architect nu gedwongen was twee ingangen te maken, ,,die per definitie nooit tot een heldere plattegrond hebben geleid''. Bij mijn weten is er nauwelijks een helderder plattegrond dan de symmetrische met twee binnenplaatsen van het Rijksmuseum, of het moest die van het Paleis op de Dam zijn, waaraan hij bewust is ontleend. En dat er méér dan één ingang is, was ook op zijn plaats, want het was méér dan één museum: er was bijvoorbeeld een museum voor vaderlandse geschiedenis, een museum voor de kunsten, een prentenkabinet: wie de opschriften boven de deuren (er zijn zelfs niet eens twee, maar veel meer ingangen) leest, leert de veelheid van collecties nog eens kennen. Overigens nam in deze collecties de verzameling gipsafgietsels een bijzondere plaats in.

Van Olphen laat zien dat de traditie van de orthodox-modernisten om over elke situatie maar direct een leeg velletje te leggen en opnieuw aan het schetsen te slaan, nog niet is uitgestorven. Dat hij daarbij en passant een vroegere rijksbouwmeester een sneer geeft en bij de huidige in gevlei tracht te komen, siert hem niet, maar geeft aan dat hij weet hoe de hazen lopen.