OLIELANDEN

De meeste olielanden gingen zelf pas in de jaren zeventig van hun olie profiteren. De bronnen die soms al een eeuw geëxploiteerd werden, waren tot dan vooral lucratief voor Westerse maatschappijen. Een overzicht van de geschiedenis van de belangrijkste olielanden.

Saoedi-Arabië Gemeten naar het aantal inwoners is Saoedi-Arabië het 47ste land ter wereld. Op één gebied echter is het land de onbetwiste nummer één: olie. Een kwart van de bewezen oliereserves van de wereld bevindt zich onder de oppervlakte van dit woestijnland, en het produceert jaarlijks 12 procent van het wereldtotaal. Dat laatste is maar weinig meer dan de hoeveelheid die de Verenigde Staten oppompen, maar gezien de geringe bevolkingsomvang en dus het kleine eigen verbruik van olie, kunnen de Saoediërs veel meer exporteren.

De werkelijke economische macht van Saoedi-Arabië is pas ontstaan in de jaren zeventig. Toen eind jaren twintig olie werd gevonden in het gebied rond de Golf was de Amerikaanse Standard Oil Company of California (Socal) het eerste bedrijf dat een belangrijke concessie kreeg. Het dochterbedrijf dat in Saoedi-Arabië actief was, kreeg in 1944 de naam Arabian American Oil Company (Aramco). Vanaf 1946 was Aramco in handen van vier Amerikaanse olieconcerns: Texaco, Mobil, Exxon en Socal. Maar begin jaren zeventig keerde het tij. Al in 1968 had olieminister Yamani het idee geopperd voor Saoedische participatie in Aramco. Na lange onderhandelingen kreeg het land in 1972 een aandeel van 25 procent. Zestien jaar later was het bedrijf volledig in handen van de Saoediërs gekomen, en veranderde de naam in Saudi Aramco. De volledige olieindustrie was nu genationaliseerd, inclusief andere bedrijven als die voor de exploitatie van pijpleidingen en tankervaart.

Irak Het tweede belangrijke olieland is Irak met 10 procent van de voorraad in zijn bodem (gerekend naar de bewezen reserve). De potentie van het oude Mesopotamië werd al vroeg ondervonden, aangezien de olie hier vanzelf uit de aarde opborrelt. Rond 1870 werd olie gevonden in Baku, de hoofdstad van Azerbajdzjan. Hierop begonnen diverse bedrijven te zoeken naar concessies in dat deel van het Ottomaanse Rijk dat nu Irak heet. Pas in 1928 werd olie ontdekt in de omgeving van de stad Kirkuk, en pas negen jaar later ging het land olie in ruime mate exporteren.

De zoektocht naar olie werd lange tijd gedomineerd door de Turkish Petroleum Company (TPC), een samenwerkingsverband van diverse Europese partijen die hiermee de Amerikanen buiten de deur wilden houden. Een groot deel van de aandelen was in handen van de Britten, die aan het gebied grote strategische waarde toekenden gezien de ligging aan de route naar de Britse kolonie India. Na de Eerste Wereldoorlog kregen echter ook Amerikaanse maatschappijen aandelen in TPC, waarvan de naam in 1929 gewijzigd werd in Iraq Petroleum Company (IPC). IPC verkreeg uiteindelijk het monopolie op oliewinning in Irak in 1938. Maar de oliewinning bleef beperkt, aangezien IPC's aandeelhouders voorrang gaven aan hun andere bronnen en transport vanuit Irak moeilijk bleek. Dit beperkte ook de inkomsten van de Irakezen zelf, die een kleine vergoeding kregen van IPC voor daadwerkelijk gewonnen olie. In 1961 besloot de Iraakse overheid daarom alle niet in exploitatie zijnde velden te onteigenen en de Iraq National Oil Company (INOC) op te richten. Met hulp van Frankrijk en de Sovjet-Unie was het land steeds meer in staat zelf zijn olievelden te exploiteren, en de macht van IPC nam af. In 1972 werd IPC genationaliseerd en konden de olie-inkomsten van het land fors toenemen.

Iraks positie als 's werelds tweede olie-exporteur was na de Golfoorlog in één klap voorbij. Het land werd getroffen door een embargo; pas sinds kort mag het weer onbeperkt olie uitvoeren om de aanschaf van humanitaire goederen te betalen.

De Golfstaten In alle kleine landen aan de oostkust van de Golf was de invloed van lokale heersers klein toen in de jaren dertig de olie-industrie in opkomst was. Deze opkomst kwam deels als een reactie op het aan de macht komen van de sjah in Iran, toen Westerse landen op zoek gingen naar een alternatief voor de Iraanse olie. De werkelijke (militaire) macht in de Golf lag bij de Britten, en Britse en Amerikaanse bedrijven leverden slag om concessies in het gebied te verkrijgen. Pas vanaf de jaren vijftig gingen de lokale emirs en sultans werkelijk van de olie profiteren door overdrachten van de oliemaatschappijen. De onderhandelingspositie van de leiders met de maatschappijen was echter gering, aangezien zij voor hun inkomsten volledig van de olie afhankelijk waren en dus van de olieconcerns. Pas vanaf de jaren zeventig kochten de Golfstaten aandelen in de maatschappijen die binnen hun grenzen actief werden. De meeste hiervan zijn inmiddels volledig in Arabische handen.

Iran Tot 1932 hadden de Britten een machtige positie in de Iraanse olie-industrie, onder de vlag van de Anglo-Persian Oil Company (APOC). Maar de sjah, die in 1925 aan de macht was gekomen, wilde meer profiteren van de grootste industrie van het land en hij zegde de concessie-overeenkomst met APOC op. Er kwam een nieuw akkoord, maar aan het eind van de jaren veertig verdiende de Britse overheid nog altijd meer aan de Anglo-Iranian Oil Company (de opvolger van de APOC) dan Iran zelf aan royalty's ontving. De roep om nationalisatie nam daarom toe. Dat gebeurde uiteindelijk in 1951. De Britten verlieten het land en de olieproductie kwam tijdelijk tot stilstand door gebrek aan technici. Na de islamitische revolutie van 1979 poogde het land minder afhankelijk van olie te worden. De oorlog met Irak die op de revolutie volgde, verlamde de olie-industrie.

Indonesië, Maleisië en Brunei De Indonesische olie-industrie dateert van 1883, toen op Noord-Sumatra olie werd ontdekt. Dit leidde tot de oprichting van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleum-bronnen in Nederlandsch-Indië, de voorloper van het huidige Royal Dutch/Shell, dat in 1911 concessies had op Sumatra, Java en Borneo, het eiland waar ook Maleisië en het steenrijke sultanaat Brunei hun olie-industrieën hebben. Na de onafhankelijkheid nam de invloed van de Indonesische overheid op de olie-industrie toe. Er kwamen nationale oliemaatschappijen, en de contracten met buitenlandse maatschappijen gingen tot de stringentste ter wereld behoren: 85 procent van de inkomsten vloeiden in de staatskas. Rond 1990 werden de voorwaarden voor oliewinning lucratiever voor de oliemaatschappijen, omdat Indonesië meer vaart wilde zetten achter de zoektocht naar nieuwe bronnen.

Libië en Algerije De actieve exploratie van Libische oliebronnen begon in 1953, kort nadat olie gevonden was in het naburige Algerije. Sinds de jaren zestig domineert de olie-industrie de economie van beide landen. Oorlogen in het Midden-Oosten versterkten hun positie, omdat hun gebied zoveel dichter bij de Europese afnemers ligt dan dat van de andere olielanden, en de aanvoer dus veilig was. Net als in de meeste andere Arabische landen kwam de olie-industrie in de jaren zeventig in overheidshanden, of moesten buitenlandse maatschappijen voldoen aan strenge voorwaarden onder dreiging van nationalisatie.

Nigeria De eerste Nigeriaanse olieraffinaderij werd in 1965 in gebruik genomen, negen jaar nadat het eerste olieveld ontdekt werd in de Nigerdelta door een joint-venture van Shell en British Petroleum. Tijdens de Biafra-oorlog eind jaren zestig lag de productie zo goed als stil. Het einde van de oorlog viel samen met de stijging van de olieprijzen in de jaren zeventig, en in 1971 sloot het land zich aan bij de OPEC. Vooralsnog komt alle Nigeriaanse olie uit de Nigerdelta, maar exploratie in andere regio's is in volle gang.

Venezuela In 1917 werd begonnen met de commerciële exploitatie van oliebronnen in Venezuela. Na de Eerste Wereldoorlog volgde een toevloed van Britse en Amerikaanse maatschappijen die konden profiteren van de zeer lucratieve industrie in dit land; de warme maar corrupte relaties met diverse dictators garandeerden grote opbrengsten. In de jaren dertig bedroeg het aandeel van olie in de Venezolaanse export zo'n 90 procent. Het duurde tot in de jaren zeventig voor Venezuela zelf van de bronnen ging profiteren en een geleidelijke nationalisatie van de industrie op gang kwam. Sindsdien domineert de staatsholding PDVSA (Petróleos de Venezuela SA) de sector.

Verenigde Staten Op 27 augustus 1859 boorde Edwin L. Drake de eerste oliebron ter wereld aan in Titusville, in het noordwesten van de staat Pennsylvania. Het was de aanzet tot de `Pennsylvanian Oil Boom', en de geboorte van de olie-industrie. In 1863 bouwde de ondernemer John D. Rockefeller (toen 24 jaar oud) zijn eerste raffinaderij bij de stad Cleveland (Ohio). In 1870 werd zijn naamloze vennootschap Standard Oil Company opgericht, de voorloper van de latere Standard Oil Trust, gevestigd in New Jersey. In 1911 werd dit machtige conglomeraat als gevolg van de antitrustwetgeving opgesplitst in 33 afzonderlijke bedrijven, waarvan er acht de naam `Standard Oil' bleven voeren. Enkele van de huidige grootste Westerse oliemultinationals vinden (een deel van) hun oorsprong in deze bedrijven.

Intussen was in 1901 het eerste olieveld aangeboord in Spindletop (Texas), vlakbij de Golf van Mexico. Texas is sindsdien dé oliestaat bij uitstek van de VS. Andere belangrijke staten zijn Alaska, Californië, Louisiana en Oklahoma – Pennsylvania telt nog maar nauwelijks mee. In totaal zijn er nu 8.000 bedrijven in de VS die in dertig staten naar olie boren. Na Saoedi-Arabië zijn de VS de grootste olieproducent ter wereld.

China Gedurende de jaren zeventig was de Volksrepubliek China immuun voor de gevolgen van de twee grote oliecrises. Het land was zelfvoorzienend op energiegebied. Gedurende de uitvoering van het eerste vijfjarenplan van Mao, na 1949, ging het land actief op zoek naar olie, omdat het niet meer afhankelijk wilde zijn van importen. In het noordoosten werd in 1959 een grote voorraad ontdekt. China werd een olie-exporteur, met Japan als een van de belangrijkste afzetmarkten. Maar deze luxe positie is voorbij door de sterke economische ontwikkeling. In 1993 werd de volksrepubliek een netto-importeur, ofschoon het nog altijd een aandeel in de wereldolieproductie heeft van bijna vijf procent. China importeert dit jaar bijna evenveel als de totale jaarlijkse consumptie van het Verenigd Koninkrijk (70 miljoen ton ruwe olie), en produceert zo'n 160 miljoen ton.

Voormalige Sovjet-Unie Sinds het einde van de negentiende eeuw exporteert Azerbajdzjan olie naar Rusland. Het was toen de belangrijkste producent van petroleum en de bakermat van de olieraffinage. Tijdens de Tweede Wereldoorlog leverde de kleine deelrepubliek 70 procent van de petroleum van de Sovjet-Unie. Maar na de val van het Sovjet-rijk verkeerde de olie-industrie (hoofdzakelijk offshore in de Kaspische Zee) in een deplorabele toestand.

Dankzij Azerbajdzjan en de velden in westelijk Siberië (Rusland), was de Sovjet-Unie jarenlang de grootste olieproducent ter wereld. Nu nog produceert Rusland 8,8 procent van de olie, tegen 11,9 procent van Saoedi-Arabië. Maar sinds 1987 daalt de productie door de inefficiëntie van de voormalige staatsbedrijven, waarvan Lukoil de bekendste is. Deze maatschappijen beheersen de volledige productieketen, van exploratie en winning tot raffinage en verkoop.

Kazachstan, de grootste republiek van Centraal-Azië, begon pas in de jaren negentig met de serieuze exploitatie van zijn oliebronnen.

Verenigd Koninkrijk en Noorwegen De oliecrisis van 1973 dwong de Westerse landen minder afhankelijk te worden van olie uit OPEC-landen. De velden in de Noordzee die ontdekt werden in de jaren zestig waren daarom een welkome aanvulling. In 1975 kwam de Britse olie-industrie in de Noordzee op gang. Noorwegen was al enkele jaren langer actief en kan met recht een olieland genoemd worden, gezien de grote afhankelijkheid van 's lands economie van deze sector. Maar ook het Verenigd Koninkrijk kan voorzien in zijn eigen oliebehoefte.

Mexico De eerste schreden op het pad van de oliewinning zette Mexico in 1869, maar commerciële exploitatie begon pas in 1901. Tien jaar later werd er voor het eerst ruwe olie geëxporteerd. Volgens de grondwet van 1917 heeft het Mexicaanse parlement de volledige zeggenschap over 's lands bodemschatten. Na langdurige conflicten leidde dit in de late jaren dertig tot de nationalisatie van de olie-industrie. De Amerikaanse maatschappijen riepen op tot een boycot van Mexico, als waarschuwing voor andere landen met soortgelijke plannen. Maar president Roosevelt riep de maatschappijen op om tot een overeenkomst met Mexico te komen, omdat de VS tijdens de Tweede Wereldoorlog hun leveranties veilig wilden stellen. Na de oorlog groeide de Mexicaanse productie jaarlijks met 6 procent, maar door de economische groei van het land nam de binnenlandse vraag toe, waardoor in 1957 Mexico een netto-importeur werd. Pas in 1975 ging het land weer exporteren.

Bronnen: Economist Intelligence Unit, IEA, OPEC, Wereldbank, IMF, US Bureau of the Census, Library of Congress, BP Amoco, Encyclopaedia Britannica, United States Department of Energy.